Gedichten 4/…

Op de middelbare school (st. Jozef MAVO in Breda) moest ik op een keer een zelfgekozen gedicht voordragen ten overstaan van de hele klas.

st. Jozef Mavo in Breda (weliswaar een foto uit de jaren ’90)

Ik weet nog precies welk gedicht het was: “De Stadsgenoot” van Jan Elburg. Ik stierf van de zenuwen en raffelde het gedicht af en kreeg een 3 voor de moeite.

Ik kan me nog een paar regels van het gedicht herinneren: “hij is de smaak van water vergeten” en “hij zal bang en verongelijkt doodgaan“.

Waarom kies je als puber voor een dergelijk gedicht en herinner je 50 jaar later alleen deze zinnen nog? Dat is voer voor psychologen.

Ik heb op het internet gezocht naar het volledige gedicht en de hele situatie van toen kwam weer boven toen ik het herlas:

Stadgenoot

Hij is het licht vergeten
en het gras vergeten
en al die kleine levende kevertjes
en de smaak van water en het waaien

hij is de geur vergeten
van het hooi de grijze vacht van de schapen
de varens de omgelegde aardkluiten

zijn binnen is geen nest zijn buiten
geen buiten zijn tuin een vaas

hij is ook
de bliksem vergeten de rauwe
hagel op zijn voorhoofd

hij zegt niet: graan meel brood
hij ziet de vogels niet weggaan
en de sneeuw niet komen

hij zal bang en verongelijkt doodgaan.

En, tijdens jet zoeken, kwam ik ook een andere favoriet van mij weer tegen: “Changement de décor” van Ellen Warmond:

Changement de décor

Zodra de dag áls een dreigbrief
in mijn kamer wordt geschoven
worden de rode zegels van de droom
door snelle messen zonlicht losgebroken

huizen slaan traag hun bittere ogen op
en sterren vallen doodsbleek uit hun banen

terwijl de zwijgende schildwachten
nachtdroom en dagdroom haastig
elkaar hun plaatsen afstaan
legt het vuurpeloton van de twaalf
nieuwe uren bedaard op mij aan.

Gedichten 3/…

Ergens op deze site heb ik het al eens over een strakke Japanse dichtvorm gehad: de haiku.

Strakke vorm

De strakke vorm uit zich in een aantal zaken:

  • drie regels
  • eerste regel 5 lettergrepen
  • de tweede regel 7 lettergrepen
  • en de derde regel weer 5 lettergrepen

Vaak is die derde regel dan een plotselinge wending of onverwachte gedachte sprong of haast kinderlijke verbazing.

Ontstaan

De haiku is in de 17e eeuw in Japan uit oudere dichtvormen (renga, hokku en tanka) ontstaan door de wedijver tussen verschillende grote dichters, waarvan Matsuo Basho waarschijnlijk de bekendste meester is. Pas aan het eind van de 19e eeuw werd door Masaoka Shiki het begingedicht hokku verzelfstandigd tot de haiku.

Door vast te houden aan de strakke vorm toont die beperking de ware meester! Maar dit levert weer vaak problemen op bij het vertalen uit het oorspronkelijke Japans. In het westen wordt daardoor wel voor afwijkende vormen gekozen, met 12 tot 17 lettergrepen.

Een van de beroemdste haiku, feitelijk een hokku, is van Matsuo Basho en luidt:

furu ike ya
kawazu tobikomu
mizu no oto
Ach oude vijver
een kikker springt erin
geluid van water.
De beroemdste haiku en de letterlijke vertaling

Vertalen en vormbehoud

Bij een vertaling van een haiku achten sommigen de inhoud belangrijker dan de vorm, al wordt die in goede uitgaven zo veel mogelijk gehandhaafd. Zo is bovenstaande vertaling bijvoorbeeld naar de inhoud juist, maar naar de vorm niet. Een bewerking die de juiste vorm heeft, maar een iets andere strekking is:

Ach oude vijver
de kikkers springen erin
(of ook een kikker springt van de kant)
geluid van water.

Dit probleem is sterk taalafhankelijk. Het Frans gebruikt bijvoorbeeld veel meer woorden, en ook lettergrepen, dan het Engels; het Nederlands ligt er ergens tussenin.

Voorbeelden

Twee haiku (hokku) van Basho (1644-1694):

zou ik ze pakken,
de witvis in ’t wier bijeen
dan schoten ze weg
.

door zomerregens
zijn de kraanvogelpoten
korter geworden
.

En mijn persoonlijke favoriet van Moritake (1473-1549):

Zag ik een bloesem
die naar haar tak terugkeerde?
ach, ’t was een vlinder.

De beste haiku’s weten bij de lezer emoties op te wekken, zonder ze letterlijk te benoemen. Neem bijvoorbeeld deze van Issa (1763-1828):

In het ziekenhuis
dooft een flakkerend licht uit
een sneeuwstorm steekt op.

De lezer zal vast aan een sterfgeval gedacht hebben, maar dat staat er niet!


Gedichten 2/…

In het vorige bericht gaf ik al aan slechts één gedicht uit het hoofd te kunnen declameren. Verder is mijn poëtische ontwikkeling blijven steken bij het onthouden van enkele strofes uit gedichten, zoals:

“…tussen droom en daad staan wetten in de weg
en praktische bezwaren,
en de weemoed die des avonds komt,
en niemand kan verklaren…”

Het blijkt een, door mij verbasterd, onderdeel te zijn van het gedicht Het Huwelijk van Willem Elsschot (1882-1960):

Willem Elsschot

Het Huwelijk

Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
in d’ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

Dit doet denken aan een andere favoriet van mij: “Echtpaar in de trein” van Willem Wilmink (ook al eens eerder naar gerefreerd op deze site):

Echtpaar in de trein

voor Wobke

Met de allerliefste in een trein
kan aangenaam en leerzaam zijn.
De prachtig vormgegeven stoel
geeft allebei een blij gevoel.

Voor ‘t verre reisdoel kant en klaar
zit ik dus tegenover haar.
De trein maakt zijn vertrouwd geluid
en zij rijdt vóór-, ik achteruit.

We zien dezelfde dingen wel,
maar ik heel traag en zij heel snel.
Zij kijkt tegen de toekomst aan,
ik zie wat is voorbijgegaan.

Zo is de huwelijkse staat:
de vrouw ziet wat gebeuren gaat,
terwijl de man die naast haar leeft
slechts merkt wat zijn beslag al heeft.

Van nieuw begin naar nieuw begin
rijdt zij de wijde toekomst in,
en ik rij het verleden uit.
En beiden aan dezelfde ruit.

Willem Wilmink (1936-2003)

Gedichten 1/…

Ergens in mijn berichten over Wandelen in Alphen had ik het over de Japanse dichtvorm Haiku. Toen bedacht ik me dat ik eigenlijk maar één gedicht uit het hoofd kan voordragen en dat gaat als volgt:

‘T is all a chequerboard of nights and days
where destiny with men for pieces plays.
Hither and thiter moves, checks and slays,
until one by one back in the closet lays.

Rubayiat

Het is het 30ste kwatrijn uit de bundel Rubayiat van de Perzische wiskundige en dichter Omar Khayyam, die leefde van 1048 tot 1131. Het kan zijn dat ik een andere vertaling vanuit het Perzisch elders gelezen heb, maar ik vond op het internet deze versie van het zelfde kwatrijn:

But helpless Pieces of the Game He plays
Upon this Chequer-board of Nights and Days;
Hither and thither moves, and checks, and slays,
And one by one back in the Closet lays.

Ik kwam een Nederlandse vertaling van Van Den Born tegen, die me toch minder aanspreekt als de Engelse variant:

Een hemels Poppenspeler speelt met ons, Zijn poppen
Een letterlijke waarheid, moeilijk te verkroppen

Die, als wij op dit schouwtoneel zijn uitgespeeld
Ons één voor één weer in Zijn Noodlotsdoos zal stoppen.

Omar Khayyam

Omar Khayyam

Die Omar Khayyam moet een bijzondere geleerde geweest zijn als ik zijn biografie mag geloven:

Omar Khayyam (1048 – 1131) was een Perzisch geleerde en wiskundige die werd geboren in Khorasan, het huidige centraal-Iran. Ook was hij een verdienstelijk dichter. Hij leefde in een periode dat de Seltsjoeken de macht hadden in het Kalifaat van Baghdad en was lange tijd in dienst van de grootvizier van de Seltsjoekische sultan Malik Sjah. Deze beoogde het stichten van een sterrenwacht in Esfahan en het hervormen van de kalender, werk waar Omar Khayyam een grote rol bij speelde.
Omar Khayyam werd voor dat werk gevraagd omdat hij al voor zijn 25ste belangrijke teksten over wiskunde had geschreven, onder andere “
Verhandeling over de oplossing van algebraproblemen“. Daarin ontwierp hij een volledige theorie voor het oplossen van derdegraads vergelijkingen, gebaseerd op het vinden van snijpunten van kegelsneden zoals de hyperbool en de cirkel. In de tijd van Malik Sjah kon Omar Khayyam zich volledig aan zijn wetenschappelijke werk wijden: hij maakte astronomische tabellen en werkte aan de nieuwe opzet van de kalender.
Na de dood van Malik Sjah en zijn grootvizier bleef Omar Khayyam verbonden aan het Seltsjoekische hof, ook nu zijn steunpilaren waren weggevallen en zijn vrije wetenschappelijke denktrant door orthodoxe moslims werd gewantrouwd. In 1118 werd het hof verplaatst naar Merv (in het huidige Turkmenistan) en Omar Khayyam verhuisde mee. Daar werkte hij aan de wiskunde tot zijn dood in 1131
.”

Euclides’ Elementen

Verder is vermeldenswaard dat Omar Khayyam commentaren heeft geschreven op het beroemde boek “De Elementen” van Euclides, waarin hij de aannames (de vijf beroemde postulaten) besprak. Daarbij poogde hij onder andere het beroemde ‘parallellenpostulaat‘ (...door een punt buiten een lijn gaat slechts één lijn die evenwijdig is aan de gegeven lijn...) te bewijzen vanuit de andere aannames. Daarbij bewees hij, zonder zich daarvan bewust te zijn, enkele stellingen uit de niet-euclidische meetkunde.

Jalali kalender

Zijn bijdrage aan de hervorming van de kalender was opmerkelijk:

Khayyam measured the length of the year as 365.24219858156 days. Two comments on this result. Firstly it shows an incredible confidence to attempt to give the result to this degree of accuracy. Secondly it is outstandingly accurate. For comparison the length of the year at the end of the 19th century was 365.242196 days, while today it is 365.242190 days.

Zijn bijdrage leidde tot de Jalali-kalender, die beter was dan de (in West-Europa toen nog gangbare) Juliaanse kalender en in feite de nauwkeurigheid van onze huidige Gregoriaanse kalender benaderde.