Linda en Meryl en Kuifje 4/…

De Kuifje albums zijn inmiddels collector items waar fantastische prijzen voor geboden worden. Bijvoorbeeld op de veilingsite Catawiki.

Op die site vond ik het volgende over de albums:

Met een oeuvre van 50 jaar en 24 verhalen, is het moeilijk om te bepalen welk Kuifje album het meest gewild is. Sommigen hebben een controversiële inhoud, anderen zijn ondertekend door de tekenaar Hergé of vertegenwoordigen een bepaalde mijlpaal in de Kuifje geschiedenis. Hoe dan ook, sommige albums zijn heel wat geld waard op de veiling . Het verhaal achter vijf van de meest gewilde Kuifje albums!

De Krab met de Gulden Scharen (originele titel: Le crabe aux pinces d’or, 1941).

Voor velen is Kuifje onlosmakelijk verbonden met Kapitein Haddock (denk je aan Kuifje, dan denk je aan “Duizend bommen en granaten!”) maar het is pas in het 9de album dat Kuifje hem ontmoet aan boord van de “Karaboudjan”. Dit is wat De Krab met de Gulden Scharen zo bijzonder maakt. Het album werd uitgebracht in 1941 toen België werd bezet door nazi-Duitsland, dus was Hergé beperkt tot het schrijven van een verhaal met een neutraal thema. Hij bewaarde zijn politieke gedachten voor “Het Zwarte Goud”, dat hij begon te schrijven toen de oorlog uitbrak, maar pas in 1950 als album uitgaf. Le crabe au pinces d’or was het laatste album dat in zwart-wit werd gepubliceerd. In 1944 werd het opnieuw getekend en gepubliceerd met 62 gekleurde pagina’s waardoor het het meest gezochte album van de 1ste gekleurde versie werd. Kuifje albums die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gepubliceerd, zowel zwart-wit als gekleurd, halen een bedrag tot € 6000 in de Catawiki veilingen.

Kuifje in Tibet (originele titel: Tintin au Tibet, 1960).

Velen beschouwen dit verhaal als een van de beste van Hergé, en het verhaal erachter is ook heel interessant. Tegen het einde van de jaren 1950 kreeg Hergé een zenuwinzinking toen hij scheidde van zijn vrouw om met een andere vrouw te kunnen zijn. Hij ging naar een psychiater vanwege zijn verontrustende nachtmerries gevuld met eindeloze witte visioenen en werd geadviseerd om te stoppen met werken. In plaats daarvan probeerde Hergé te vechten tegen de demonen in zijn hoofd door het verhaal van Kuifje in Tibet te schrijven. Het is geen toeval dat Kuifje bang en eenzaam is in Tibet en veel spoken moet uitdrijven om een nieuw evenwicht te kunnen vinden… Tijdens een persmededeling in 1960 werd er een genummerde pre-run (Tirage de tête) van 100 stuks gesigneerd door Hergé. In 2015 werd het op Catawiki geveild voor € 13.000.

Kuifje in Congo (originele titel: Tintin au Congo, 1931).

Dit is waarschijnlijk het meest controversiële album van Kuifje. Het heeft onder vuur gelegen vanuit Amerika, Groot-Brittannië, Zweden en België vanwege de veronderstelde racistische inhoud; de Congolezen zouden worden neergezet als kinderachtig en primitief. Het is een paar keer aangepast – om de Congolezen dunnere lippen en een kleinere bos kroeshaar te geven – en wordt nu vaak met een waarschuwing erop in winkels verkocht. Het feit dat Kuifje meehelpt om Afrikaans wild af te maken valt tegenwoordig ook niet meer goed in de Westerse wereld. Vandaag is Kuifje in Congo waarschijnlijk meer beroemd om de controversiële inhoud dan om het vermakelijke verhaal en is een gezocht item van verzamelaars geworden. In 2016 bracht een prototype van dit album – vermoedelijk 1 van slechts 7 – met lege tekstballonnen en zonder titel op de cover € 39.000 op in een Catawiki veiling.

De “blanco” Kuifje in Congo / Afrika.

Mannen op de Maan (originele titel: On a marché sur la lune, 1954).

Soms is het niet het verhaal of het verhaal erachter wat een album zo waardevol maakt in online veilingen. Handtekeningen doen het altijd goed, vooral wanneer ze met het verhaal te maken hebben. Zoals met een Franstalig album van Mannen op de Maan dat gesigneerd is door Hergé, Buzz Aldrin, Neil Armstrong en nog meer. Voor dit verhaal, dat 15 jaar voor de eerste bemande maanlanding werd gepubliceerd, deed Hergé zeer uitgebreid onderzoek naar bemande ruimtevaart. Met quotes als “eerste wandelaar op de maan na Kuifje” (Buzz Aldrin) en “langste maanwandeling op die van Kuifje na” (Edgar Mitchell) is het niet zo gek dat het album $132.400 opbracht in een veiling.

Kuifje in het land van de Sovjets (originele titel: Tintin au pays des Sovjets, 1930).

Dit is het verhaal waar de Kuifje gekte mee begon. Voorpublicatie begon in het weekblad Le Petit Vingtième in 1929 en het was een onmiddellijk succes. Tegenwoordig heeft dit album uit 1930 een iconische status. In totaal zijn er 10.000 exemplaren gedrukt (10 series van 1.000) maar niet veel albums hebben het overleefd. De eerste 500 exemplaren zijn genummerd. Een genummerd exemplaar van Kuifje in het land van de Sovjets dat is gesigneerd door Hergé en zijn vrouw als “Tintin and Milou” (Bobbie) is op Catawiki voor € 30.000 geveild.

Linda en Meryl en Kuifje 3/…

De razende reporter Kuifje met zijn hond Bobby en (later) zijn vriend kapitein Haddock hebben indertijd, als 8 of 9 jarige, mijn wereldbeeld gevormd.

Net als bij Linda en Meryl heb ik Wikipedia als raamwerk gebruikt en er persoonlijke noten aan toegevoegd.

Kuifje, de start

De strip “De avonturen van Kuifje” door Georges Remie, ofwel Hergé (1907-1983), startte als strip in 1929 in Le Petit Vingtième, de jongerenbijlage van de rooms-katholieke krant Le Vingtième Siècle. De titel van die strip was: “Kuifje in het land van de Sovjets“. Het eerste, Franstalige (“Les Aventures de Tintin, reporter du Petit “Vingtième””), album verscheen in 1930.
Een Nederlandstalige versie van Tintin verscheen in 1940 in een proefnummer van het jeugdblad De Bengel. Het eerste volledige verhaal in het Nederlands – Tintin in Congo – startte in september van dat jaar in de Vlaamse krant Het Laatste Nieuws. In oktober 1943 werd Tintin voor het Nederlandse publiek omgedoopt tot Kuifje – middenin het verhaal De geheimzinnige Ster.

In bijna 100 jaar heeft Kuifje definitief een plaats verworven tussen de groten van de internationale literatuur. In 1999 kenden de lezers van Le Monde het album De blauwe lotus de achttiende plaats toe op de lijst van boeken die bepalend zijn geweest voor de twintigste eeuw. Kuifje bevond zich met Aldous Huxley, Solzjenitsin en Anne Frank in goed gezelschap. De Kuifje-albums blijven in de hele wereld bestsellers: sinds 1929 zijn er al meer dan 250 miljoen exemplaren verkocht in 110 talen. In Frankrijk heeft een op de twee gezinnen minstens één Kuifje-album in huis.

Kuifje, de albums

Nr.Originele Nederlandse titelEerste druk
1Kuifje in het land van de Sovjets1930
2Kuifje in Congo (vanaf 1954 Kuifje in Afrika)1931
3Kuifje in Amerika1932
4De sigaren van de farao1934
5De Blauwe Lotus1936
6Het gebroken oor1937
7De Zwarte Rotsen1938
8De scepter van Ottokar1939
9De krab met de gulden scharen1941
10De geheimzinnige ster1942
11Het geheim van de Eenhoorn1943
12De schat van Scharlaken Rackham1944
13De 7 kristallen bollen1948
14De zonnetempel1949
15Kuifje en het Zwarte Goud1950
16Raket naar de maan1953
17Mannen op de maan1954
18De zaak Zonnebloem1956
19Cokes in voorraad1958
20Kuifje in Tibet1960
21De juwelen van Bianca Castafiore1963
22Vlucht 7141968
23Kuifje en de Picaro’s1976
24Kuifje en de Alfa-kunst1986
Alle albums van de avonturen van Kuifje

Het geheim van de eenhoorn

The Adventures of Tintin: The Secret of the Unicorn (Nederlands: De avonturen van Kuifje: Het geheim van de eenhoorn) is een Amerikaanse animatiefilm geregisseerd door Steven Spielberg. De film is gebaseerd op enkele albums en ging op 22 oktober 2011 in wereldpremière in Brussel. Het is een bewerking van De krab met de gulden scharen, Het geheim van de Eenhoorn en De schat van Scharlaken Rackham. Diverse verhaallijnen uit deze drie verhalen zijn samengevoegd tot een nieuw geheel met een deels eigen plot.

In 1981 vergeleek een filmrecensent de film Raiders of the Lost Ark met de stripverhalen van Kuifje. Spielberg kende Kuifje niet en raakte geïnteresseerd in deze stripfiguur. De secretaresse van Spielberg kocht enkele Franstalige stripverhalen voor de regisseur, die de taal niet begreep maar wel meteen erg was gecharmeerd van de tekeningen. En ook het omgekeerde gebeurde: Hergé werd een liefhebber van Spielbergs films. In 1983 stond er een ontmoeting tussen Spielberg en Hergé op het programma. Spielberg was op dat moment bezig met de opnamen van Indiana Jones and the Temple of Doom. Maar Hergé overleed, waardoor de tekenaar en de regisseur elkaar nooit ontmoet hebben.

Spielberg nam in 1983, na de dood van Hergé, voor het eerst een optie op de rechten van Kuifje. In 2002 deed hij dat voor de tweede keer. Aanvankelijk zou Thomas Sangster de rol van Kuifje op zich nemen, maar na enkele productieperikelen stapte hij op en werd hij uiteindelijk vervangen door Jamie Bell.
Peter Jackson is producent van de film en zal de volgende film regisseren. Steven Spielberg neemt dan de job van producent over van Peter Jackson.

Hoewel het om een 3D-animatiefilm gaat, werd er tijdens de opnamen gebruik gemaakt van echte acteurs. Deze performance capture-techniek is een verbeterde methode van motion capture, die eerder al toegepast werd in films zoals Beowulf (2007) en Avatar (2009). Als resultaat krijgt men, voor het eerst in de geschiedenis van de animatiefilm, zeer realistische menselijke gelaatsuitdrukkingen en nog vlottere bewegingen van de anders karikaturale stripfiguren, zonder afbreuk te doen aan de oorspronkelijke tekeningen uit de gedrukte stripverhalen van Hergé.
Bobbie werd volledig door een computer geanimeerd.

De Alfa-kunst

Tijdens de voorbereidingen van het vierentwintigste Kuifje-album (Kuifje en de Alfa-kunst) overleed Hergé. Van dit verhaal – over de handel in kunstvervalsingen en een mysterieuze sekte – bleven ruwe schetsen, een onaf scenario en enkele pagina’s over. Hiervan verscheen in 1986 een facsimile-uitgave. Verschillende tekenaars hebben het album alsnog voltooid en uitgegeven.
In 1988 verscheen een anonieme editie. Bekender is de versie (1995) van de Canadese tekenaar Yves Rodier. Van zijn interpretatie bestaan verschillende edities; alle pagina’s daarvan zijn te bekijken op internet. Met Studio Hergé heeft Rodier gesproken over een gezamenlijke officiële versie van het album. Omdat Hergé’s weduwe geen toestemming wilde geven is het zover nooit gekomen.

Kuifje, de verwijzingen en thema’s

Hergé verwees in zijn Kuifje-albums vaak naar actuele gebeurtenissen. En dat hielp mij, in de pubertijd, bij de vorming van mijn wereldbeeld.

In De Blauwe Lotus wordt verwezen naar het spoorwegincident bij Moekden in augustus 1931, het bestaan van de Internationale Concessie in Shanghai en het vertrek uit de Volkenbond van Japan in 1933.

Verder zijn de verhalen doorspekt met verwijzingen naar en parodieën op historische gebeurtenissen uit de twintigste eeuw. Zo kan De scepter van Ottokar (1939) bijvoorbeeld gelezen worden als een parodie op de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland. Onder meer de naam van de Bordurische leider, Müsstler, verwijst daar naar: het is een combinatie van Hitler en Mussolini. Met De scepter van Ottokar oefende Hergé vooral onderhuidse kritiek uit op het Duitse rijk in wording.

De geheimzinnige ster (1942) zorgde voor heel wat controverse. Het verscheen in volle oorlogstijd. De oorspronkelijke versie van het verhaal viel vooral op doordat de antagonisten oorspronkelijk onder de Amerikaanse vlag opereerden en geleid werden door een Jood genaamd Blumenstein. Bij een na de oorlog herziene versie van het verhaal werd Amerika vervangen door het fictieve São Rico. Ook de man achter de geldzuchtige operatie krijgt nu de in Hergés oren minder Joods klinkende naam Bohlwinkel (een verwijzing naar het Brusselse bollewinkel, wat “snoepwinkel” betekent). Wat Hergé toen niet wist, is dat ook Bohlwinkel een veel voorkomende Joodse naam is.

In de allereerste versie van Kuifje en het Zwarte Goud werd verwezen naar de oorlogsdreiging in 1939. Toen Hergé dit verhaal na de Tweede Wereldoorlog voltooide, werd de plaats waar het conflict zich afspeelt verplaatst naar het Palestina van die tijd, waar destijds onder de ogen van het Britse mandaatbestuur, Joodse en Palestijnse verzetsgroepen elkaar bestreden. Later zijn er opnieuw aangepaste versies van dit verhaal uitgekomen, waarin alle verwijzingen naar het Joods-Palestijnse conflict zijn verwijderd.

Hergés visie op de ruimtevaart komt tot uiting in een lang verhaal dat de albums Raket naar de maan (1953) en Mannen op de maan (1954) beslaat. Aan de totstandkoming van dit verhaal ging een uitgebreide studie van de modernste wetenschappelijke inzichten vooraf. Het maken van de twee albums nam zes jaar in beslag. De raket waarmee de hoofdpersonen naar de maan reizen is gebaseerd op de door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde V2-raket.

In De zaak Zonnebloem (1956) maakte Hergé een parodie op dictatoriale regimes in het algemeen, en op (de satellietstaten van) de Sovjet-Unie in het bijzonder. Bordurië, het fictieve land (ook in de De scepter van Ottokar) waar het voornoemde verhaal zich voor een deel afspeelt, wordt beheerst door uniformen met een rode schouderband met witte cirkel en zwart embleem in de vorm van een snor.

Het laatste voltooide album in de serie, Kuifje en de Picaro’s, schetst een karikatuur van Zuid-Amerika en zijn kenmerkende revoluties. In dit verhaal weet Kuifje generaal Alcazar ertoe te bewegen geen executies te laten plaatsvinden als hij aan de macht komt. Alcazar laat duidelijk merken dat hij het hier niet mee eens is. Aan het eind geeft zelfs generaal Tapioca (die geëxecuteerd zou moeten worden) toe dat hij dit een belediging van de San-Theodoraanse cultuur vindt.

Hergé

Georges Remi groeide op in Etterbeek, een toen al verstedelijkte gemeente van de Brusselse agglomeratie. Zijn ouders waren de Waal Alexis Remi (1882-1970) en de Vlaamse Élisabeth Dufour (1882-1946). Alexis en zijn tweelingbroer Leon werden geboren als buitenechtelijke zoons van Marie-Barbe Dewigne (1860-1901). Ze trouwde met Philippe Remi (1870-1941), pas twaalf jaar ouder dan de tweeling, die ze legitimeerde. Er werd weleens beweerd dat zij buitenechtelijke zoons waren van koning Leopold II. Een ander gerucht wilde dat ze buitenechtelijke zoons waren van de diplomaat graaf Gaston Errembault de Dudzeele (1847-1929), bij wie Marie-Barbe Dewignie dienstmeid was. Het echtpaar Alexis Remi-Dufour behoorde tot de middenklasse en leefde in een betrekkelijke luxe. In 1912 werd een tweede zoon geboren, Paul Remi. Hergé beweerde dat Kuifje in de beginjaren onbewust op zijn broer Paul gebaseerd was. Kuifje kreeg Pauls kuif, leeftijd (16-17), houdingen, gebaren en karakter. Het beroep van avontuurlijke reporter was geïnspireerd op de Franse journalist Albert Londres.

Hergé ofwel Georges Remie

Georges’ lagereschooltijd viel goeddeels samen met de Eerste Wereldoorlog en de Duitse bezetting van Brussel. Van Duitse soldaten die gelegerd waren in de Etterbeekse kazernes maakte hij, in de kantlijnen van zijn schoolschriftjes, onbeholpen tekeningen. Tekenen leek al vroeg in zijn bloed te zitten. Maar het zou nog tot 1925 duren voor hij zijn eerste echte beeldverhaal publiceerde: een tekstloos stripje over een wielrenner met bandenpech.

Remi was zeventien jaar toen hij zijn pseudoniem Hergé bedacht. Hij gebruikte hiervoor de achterstevoren geschreven initialen van zijn naam Georges Remi: RG als Hergé. Op de lagere school was het voor hem namelijk al normaal om vanaf de eerste klas als Remi Georges te worden aangesproken. Op zijn schoolschriften prijkten eveneens de namen in die volgorde en als hij zelf zijn initialen zette, schreef hij ze neer als R.G. Daaruit ontstond zijn schuilnaam Hergé. Op zijn Frans klinkt dat als erzjee, want de begin-h is in die taal vrijwel niet hoorbaar. In december 1924 publiceerde hij voor het eerst onder dit pseudoniem

Hergé was toen al actief lid van de katholieke scouting waarvoor hij ook talrijke tekeningen maakte, onder andere in Le boy scout. In dat blad en in andere scoutingbladen publiceerde hij vanaf 1926 het stripfeuilleton Totor, P.L. van de Meikevers ook met een duo, bestaande uit een jongeman en een hondje, in de hoofdrol.

In 1927 ging Hergé werken op de abonnementenafdeling van het dagblad Le Vingtième Siècle, de spreekbuis van het francofone, conservatieve, rooms-katholieke en anticommunistische establishment. Hij vond het er dusdanig saai dat hij vervroegd in militaire dienst ging. Nadat hij afzwaaide begon hij in januari 1929 in de donderdagse jeugdbijlage Le Petit Vingtième van de krant Le Vingtième Siècle aan het allereerste avontuur van Kuifje: Les Aventures de Tintin, reporter du Petit “Vingtième”, au pays des Soviets (De avonturen van Kuifje, reporter van de Kleine “Twintigste”, in het land van de Sovjets). Het thema was uitgekozen door zijn mentor Norbert Wallez, onder wiens invloed Hergé in het zog van de Nieuwe Orde kwam. In 1930 begon Hergé aan de strip De guitenstreken van Kwik en Flupke, eveneens in hetzelfde blad.

Tot aan zijn dood in 1983 verschenen 23 albums met de avonturen van Kuifje, zijn hond Bobbie en bijfiguren als kapitein Haddock, professor Zonnebloem en de detectives Jansen en Janssen. Postuum werd het onvoltooide Kuifje en de Alfa-kunst uitgegeven. Hergé tekende de strips in eerste instantie helemaal zelf, maar in 1943 riep hij de hulp in van Edgar P. Jacobs. In 1950 startte hij de fameuze Studios Hergé. Bekende medewerkers als Bob De Moor en Jacques Martin namen hem veel werk uit handen en hielden zich onder andere bezig met het tekenen van achtergronden en het hertekenen van de oude albums. Naast Kuifje werkte Hergé aan andere strips, zoals Leo en Lea, Jo, Suus en Jokko en De guitenstreken van Kwik en Flupke, waarvan van de laatste tot 1955 355 verhalen en een tekenfilmserie verschenen.

In juni 2009 opende in Louvain-la-Neuve het Hergé-museum rond het leven en werk van de striptekenaar. Dit museum kwam er door de inzet van Hergés tweede vrouw en voormalige medewerkster in zijn studio, Fanny Vlamynck.

Hoofdpersonages

Kuifje

Kuifje (in heel veel talen Tintin) is een verslaggever die met zijn hond Bobbie in Brussel woont.
In de Nederlandse uitgaven woont hij in de albums Het gebroken oor, De scepter van Ottokar en Het geheim van de Eenhoorn op nummer 26 van de fictieve Labradorstraat, op 1-hoog. In De scepter van Ottokar heeft hij een hospita: mevrouw Vink.

Kuifje in De Zaak Zonnebloem

Leeftijd, vaardigheden en relaties

Volgens Hergé was Kuifje in het eerste album veertien of vijftien jaar oud en in de laatste uitgave mogelijk negentien. Hij is rechtschapen, slim en vecht tegen onrecht, kan autorijden, vliegtuigen, tanks, een duikboot en een maanraket besturen, kortegolfzenders bedienen en ondanks zijn leeftijd en tengere gestalte kan hij vechten als de beste. Kuifje kan ook overweg met vuurwapens. Kuifje drinkt vrijwel nooit alcohol, dit in tegenstelling tot zijn vriend kapitein Haddock, die alcoholist is. Van Kuifjes familie, zo die al bestaat, is niets bekend. Hij heeft geen romantische partner.

Kleding

In de eerste verhalen verkleedt hij zich vaak, maar uiteindelijk draagt hij vooral een lichtblauwe trui met lange mouwen met daaronder een overhemd met witte, ronde kraag. De kleur blauw was een bedenksel van Hergés assistent Edgar P. Jacobs. Vanaf het eerste verhaal tot en met De juwelen van Bianca Castafiore draagt hij een pofbroek; in de kleurendrukken is die bruin. Toen Hergé het personage Kuifje bedacht, was deze broek in België in de mode. Hergé droeg ze zelf ook. In het in 1976 uitgegeven Kuifje en de Picaro’s draagt Kuifje bruine jeans met strakke pijpen.

Werk

Hoewel Kuifje officieel verslaggever is, is er nooit een reportage van hem te zien. Evenmin brengt hij ooit een bezoek aan zijn werkgever. In de eerste verhalen werd hij nog op pad gestuurd door zijn baas van Le Petit Vingtième, maar in latere albums is hij tijdens zijn avonturen niet meer als journalist aan het werk, behalve dan nog in De geheimzinnige ster, waar hij bij de expeditie naar een meteoriet aanwezig is als officiële en enige vertegenwoordiger van de pers.

Bobbie

Bobbie is de Nederlandstalige naam voor de hond van Kuifje. Milou is de oorspronkelijke, Franse naam. Milou was de troetelnaam van een jeugdliefde van Hergé, Marie-Louise Van Cutsem. In het Duits heet hij Struppi en in het Engels Snowy.

Bobby in Kuifje in Amerika

Voor het eerst

Bobbie werd voor het eerst door Hergé afgebeeld in 1928 in uitgave 7 van dat jaar van het Belgische satirische tijdschrift le Sifflet. Op 30 december 1928, vijf nummers later, wordt hij in de eerste ballonstrip die Hergé ooit publiceerde, afgebeeld met een jongen. De strip sloeg aan en Hergé wordt door zijn baas abbé Norbert Wallez van de Belgische rooms-katholieke en conservatieve krant Le Vingtième Siècle opgedragen met deze twee figuren een vervolgstrip te maken. Op 4 januari 1929 verschijnt de hond voor het eerst als Milou in de krant, in een vooraankondiging van de eerste strip van Kuifje, toen nog alleen Tintin geheten.

Ras en karakter

Bobbie is een draadharige, witte foxterriër. Hij is de trouwe kameraad van Kuifje en komt al in het eerste album, Kuifje in het land van de Sovjets, en zelfs in het eerste plaatje, voor. In de strip-verhalen blijken de gedachten van Bobbie uit tekstballonnen. In een aantal Kuifje-strips heeft Bobbie een belangrijke rol door Kuifje tijdig van vijandige personen te redden (bijvoorbeeld door hem wakker te likken of de vijand aan te vallen). Bobbie is een bijzonder dappere hond, die vaak zonder aarzeling schurken, vele malen groter dan hijzelf, aanvalt. Bobbie heeft echter ook zo zijn karakter-fouten. Net als kapitein Haddock vergrijpt hij zich, als de kans zich voordoet, aan alcohol. Daarnaast is hij bang voor spinnen. Het geweten van Bobbie speelt af en toe op, als Kuifje hem hierop aanspreekt. Bobbie jaagt regelmatig op katten en in Raket naar de maan jaagt hij op muizen. Ook zegt hij regelmatig “Woeha!” als hij schrikt of pijn heeft.

Kapitein Haddock

Kapitein Archibald Haddock is een van de belangrijkste personages in de avonturen van Kuifje. Vanaf De krab met de gulden scharen, het in 1941 gepubliceerde negende album in de reeks, is hij (met natuurlijk Bobbie) de vaste metgezel van Kuifje. Kapitein Haddock is de stereotiepe figuur van de vloekende en aan whisky verslaafde zeebonk.

Kapitein Haddock in Raket naar de Maan


Na De krab met de gulden scharen draait de stripreeks niet meer echt om Kuifje en Bobbie, maar vooral om Kuifje en Haddock. De kapitein heeft vanaf dan de plaats van Bobbie als belangrijkste metgezel overgenomen.

Whisky

In de meeste verhalen is hij een verwoed whiskydrinker. Hij staat ook bekend om zijn afkeer van mineraalwater. In De krab met de gulden scharen drinkt hij whisky van het merk Old Whisky. In De geheimzinnige ster is dat John Haig-whisky en in De schat van Scharlaken Rackham is het Old Scotch Whisky. Hij is echter vooral bekend van het drinken van Loch Lomond-whisky.
Haddock krijgt een steeds betere grip op zijn drankprobleem. Aan het eind van De krab met de gulden scharen geeft hij een radiorede over de gevaren van alcohol voor zeelui en in De geheimzinnige ster is hij benoemd tot (ere)voorzitter van de Liga der Zeevarende Geheel-onthouders.

Karakter

Kapitein Haddock heeft zijn karakter deels te danken aan dat van Hergé, die daarover in een interview zei: “….kapitein Haddock, dat ben ik ook. Als ik boos word, ben ik net zo ridicuul als hij.” Net als Haddock was ook Hergé een liefhebber van whisky. Tegen het eind van zijn leven dronk Hergé minder, maar volgens zijn biograaf Pierre Assouline nog steeds tegen een levercirrose aan.
Kapitein Haddock was een van de favoriete karakters van tekenaar Hergé. Door zijn dagelijkse contacten in de jaren veertig met zijn assistent Edgar P. Jacobs werd in de albums het opvliegende karakter van Haddock getemperd. Ook werden door Jacobs’ invloed accenten gelegd op Haddocks zelfmedelijden en oprechte eerlijkheid.

Naam

De voornaam van de kapitein, Archibald, een naam van Schotse oorsprong, valt alleen (en pas!) in het 23e Kuifje-album Kuifje en de Picaro’s uit 1976.
Haddock staat in het Frans voor “gerookte schelvis“. Dit was een van de favoriete gerechten van Hergé en zijn eerste echtgenote Germaine Kieckens. De tintinoloog Philippe Goddin meent dat de auteur bij zijn keuze voor de naam beïnvloed werd door de film Le Capitaine Craddock uit 1931. Hergé en zijn echtgenote Germaine hadden de film gezien en de muziek was zo goed bevallen, dat ze een 78 toerenplaat met de soundtrack aanschaften. In de film komt het populaire lied Les Gars de la Marine voor. In De krab met de gulden scharen zingt Haddock dat lied.

Krachttermen en scheldwoorden

Zeer kenmerkend voor de kapitein is zijn zeer uitgebreide repertoire aan krachttermen en scheldwoorden, een eigenschap die hij deelt met zijn voorvader François Hadoque. De verwensingen die Haddock uit als hij kwaad is hebben te maken met allerhande zaken, zoals wetenschap, geschiedenis en zijn eigen zeemansberoep. Hij kan een hele reeks krachttermen uiten zonder in herhaling te vallen. Het bekendst en in de albums het meest gebruikt, is de krachtterm duizend bommen en granaten, die al in 1902 voorkomt in het Woordenboek der Nederlandsche Taal, deel 3.

Kasteel Molensloot

In verscheidene avonturen wonen Haddock en professor Zonnebloem in het kasteel van Molensloot, dat Haddock aan het eind van De schat van Scharlaken Rackham gekocht heeft met de opbrengst van Zonnebloems patent op de duikboot, waarmee ze in ditzelfde verhaal naar de schat van een verre voorvader van Haddock zochten, die zich overigens in kasteel Molensloot zelf bleek te bevinden. Het kasteel was vroeger al in het bezit van Haddocks voorvaderen geweest. Kuifje logeert er regelmatig. Hierna beginnen de meeste Kuifje-verhalen op het kasteel Molensloot, waarna de hoofdpersonen afreizen om elders een nieuw avontuur te beleven.

Jansen en Janssen

Jansen en Janssen (in een eerdere vertaling Jansen en Jansens, nog eerder Janssen en Janssens en in het begin Peters en Peeters) zijn de Nederlandstalige namen voor de twee stuntelige detectives (in het Frans Dupont en Dupond, in het Engels Thomson en Thompson en in het Duits Schulze en Schultze).

Jansen en Janssen in De Zwarte Rotsen

Rol

In de eerdere albums waren Jansen en Janssen slechts bijfiguren, maar in de latere albums en ook in de nieuwe versies van de oude albums kregen zij en hun stereo-tiepe gedrag een grotere rol. Ze kwamen voor het eerst ten tonele in het 4e album De sigaren van de farao. Op 29 december 1932 maakten ze hun debuut. Inmiddels zijn ze ook te aanschouwen in het eerste plaatje van het 2e album, Kuifje in Afrika, waarbij ze gadeslaan dat Kuifje naar Afrika vertrekt.
Uiteindelijk duiken ze op in 20 van de 24 Kuifje-albums.

Namen

Hun van 2 februari 1933 daterende oorspronkelijke Franse namen zijn X33 en X33 BIS. Sinds 1938 heten ze in het Frans Dupond en Dupont. In februari 1940 kregen ze voor het eerst Nederlandse namen – Peters en Peeters – in het proefnummer van het weekblad De Bengel, wat de Vlaamse tegenhanger van Le Petit Vingtième had moeten worden. De Duitse inval van België verhinderde een vervolg. In mei 1944 kregen ze de namen Janssen en Janssens.

Het uiterlijk van Jansen en Janssen is gebaseerd op dat van Hergés vader en diens tweelingbroer, die eenzelfde bolhoed droegen. Hoewel niet verwant, lijken ze een eeneiige tweeling. Het onderscheid tussen de twee kan worden gemaakt doordat de puntjes van de snor van Jansen recht naar beneden hangen en die van Janssen naar boven uitwaaieren. Ook in andere talen heeft de eerstgenoemde van de twee een geheel hangende snor (Dupond, Thomson, Schulze etc.). Volgens een Frans ezelsbruggetje wordt Dupond met de d van moustaches droites (rechte snor) geschreven, en Dupont met de t van moustaches troussées (opgekrulde snor).

Slapstick

De detectives zorgen voor veel van de slapstickhumor in de serie. Het duo heeft last van versprekingen en onhandig gedrag. Een running gag is dat ze elkaars woorden herhalen met de toevoeging: Sterker nog…. Overkomt een van hen een ongelukje, dan staat het vast dat de ander spoedig hetzelfde overkomt. Hoewel enorm incompetent, worden ze voortdurend geselecteerd voor gevoelige missies, zoals de bewaking van de maanraket van professor Zonnebloem (in de albums Raket naar de maan en Mannen op de maan).

Vermommen

Om niet op te vallen, vermommen ze zich regelmatig. Maar dat doen ze constant door traditionele kleding te dragen die niet meer in gebruik is. Zo lopen ze rond in een Chinees mandarijnenkostuum in De Blauwe Lotus en dragen ze klassieke Griekse klederdracht in Syldavië.

Professor Zonnebloem

Professor Trifonius Zonnebloem is een van de belangrijkste personages in de avonturen van Kuifje. Zijn oorspronkelijke Franse naam is Tryphon Tournesol, waarvan de Nederlandse naam de vertaling is.
Professor Zonnebloem verscheen voor het eerst op 5 maart 1943 in het verhaal De schat van Scharlaken Rackham. Een dag eerder heeft hij al aangebeld bij kapitein Haddock, maar is dan nog buiten beeld, en op 6 maart 1943 noemt hij zich bij zijn volledige naam.

Uiterlijk en naam

Het uiterlijk van Zonnebloem is gebaseerd op dat van professor Auguste Piccard. Een vooraanstaand Zwitsers geleerde, professor aan de Vrije Universiteit van Brussel (ULB) en dus vertrouwd met de Belgische hoofdstad.
In de Engelstalige uitgaven heet hij Cuthbert Calculus. Hergé werd niet gekend in die naamgeving. Hij had hem liever toebedeeld met de naam Archibald Blunderbuss. De voornaam Archibald zou hij bijna twintig jaar later aan kapitein Haddock geven.

Introductie

In het verhaal De schat van Scharlaken Rackham wordt Zonnebloem geïntroduceerd. Hierin belt hij aan bij kapitein Haddock en probeert hem en Kuifje vergeefs te bewegen zijn uitvinding van een gemotoriseerde eenmansonderzeeër te gebruiken bij het zoeken naar een schat, waarop Zonnebloem als verstekeling meegaat en zijn duikboot gedemonteerd in kisten whisky laat verstoppen. Om genoeg ruimte te maken voor de duikboot blijkt hij de flessen whisky er in de haven eerst uitgehaald te hebben, tot grote woede van Haddock.
In de Franstalige uitgaven werd hij bij zijn introductie in 1943 eerst monsieur genoemd. Pas vijf jaar later veranderde dat in professeur. In de Nederlandse uitgaven begon hij ook als meneer.

Wetenschapper en geleerde

De professor is een geniale geleerde, die echter zeer verstrooid is en hardhorend bovendien, waardoor kolderieke conversaties tussen de professor en zijn gespreks-partners ontstaan. Opmerkelijk is tevens dat deze man van de wetenschap gebruikmaakt van een slinger.

Uitvindingen

Enkele opzienbarende uitvindingen van de professor zijn de gemotoriseerde miniduikboot (De schat van Scharlaken Rackham), de maanraket (Raket naar de Maan) en tabletten waardoor iemand geen alcohol lust (Kuifje en de Picaro’s). Zonnebloem tracht in De juwelen van Bianca Castafiore ook de kleurentelevisie uit te vinden, maar die pogingen zijn geen succes, hoewel hij wel meerdere kleuren op een televisiescherm weet te krijgen. In De zaak Zonnebloem heeft Zonnebloem een machine uitgevonden die geluidsgolven uitzendt die glas kunnen breken en in de toekomst in een verbeterde versie mogelijk gebouwen kunnen laten instorten. Om te voorkomen dat zijn uitvinding voor oorlogsdoeleinden gebruikt wordt, vernietigt hij zijn bevindingen.

Bianca Castafiore

Bianca Castafiore (bijgenaamd: de Milanese nachtegaal) is een beroemde operazangeres en het belangrijkste vrouwelijke personage uit de serie. Castafiore is een stevige, maar niet geprononceerde sopraan van – volgens Hergé – 45 jaar oud.
Zij is deels ontleend aan Mariette Amelinck, een kind van vrienden van Hergés ouders, die hij als kind ontmoet heeft. Haar zang kon hij niet uitstaan.

Bianca Castafiore

Eerste optreden

Zij verschijnt voor het eerst op 5 januari 1939 in de jeugdbijlage Le Petit Vingtième. Zij maakt dan kennis met Kuifje als zij hem een lift geeft in De scepter van Ottokar. Op 19 januari 1939 wordt zij, eveneens in Le Petit Vingtième, voor het eerst bij naam genoemd. Daarna vervult zij bijrollen in De 7 kristallen bollen, De zaak Zonnebloem en Cokes in voorraad. Haar stem is te horen op de radio in Kuifje en het Zwarte Goud, maar ze verschijnt niet in beeld. Ze speelt een hoofdrol in De juwelen van Bianca Castafiore en in Kuifje en de Picaro’s. Tevens komt ze voor in het onvoltooide Kuifje en de Alfa-kunst. Zij is de enige vrouw die op de voorkant van een Kuifje-album wordt afgebeeld.

Favoriete aria

De favoriete aria van Bianca Castafiore is de Juwelenaria uit Faust van Charles Gounod, die begint met de woorden: Haa, ik lach bij ’t zien van mijn schoonheid in deez’ spiegel. In de taxi waar Kuifje voor het eerst met haar gezang kennismaakt, let Kuifje op de merknaam op de autoruit en vertrouwt hij erop dat de ruit niet zal breken. Later blijkt dat andere ruiten wel bezwijken aan de hoge tonen in Castafiore’s stem.
Het lied en het kapotspringen van het glaswerk zijn geïnspireerd op de film The phantom of the opera uit 1925, waarin de Juwelenaria voorkomt en een kroonluchter naar beneden komt op het moment dat een dikke operadiva het lied zingt.

Castafiore wordt op haar reizen vergezeld door haar pianist Igor Wagner en haar kamenierster Irma.

Hoewel Castafiore wereldwijd beroemd en gevierd is, kunnen Kuifje, zijn hond Bobbie en met name kapitein Haddock haar gezang niet uitstaan. De kapitein moet haar sowieso niet. Ze is zeer opdringerig en wat verwaand, maar wel aardig. De hardhorende professor Zonnebloem mag de sopraan daarentegen wel en kweekt zelfs een nieuwe witte roos voor haar, die hij Bianca doopt.

Verhaspelen

Ze verhaspelt geregeld namen. Zo noemt ze bijvoorbeeld in De juwelen van Bianca Castafiore professor Zonnebloem professor Donderbloem. Vooral Haddock krijgt het bij haar hard te verduren. Zij verandert zijn naam steevast, bijvoorbeeld in kapitein Karbock of kapitein Kapstok. Hij noemt haar op zijn beurt ‘seniora castorolie’, ‘catastrofe’ en ‘calamiteit’.

Castafiore kreeg een rol in de speelfilm van Steven Spielberg The Adventures of Tintin: The Secret of the Unicorn. Hierin zingt zij tijdens een optreden bij Omar Ben Salaad zo hoog dat het de kogelvrije glasplaat, waarachter het derde scheepsmodel van De Eenhoorn wordt bewaard, laat barsten.

Kasteel Molensloot

Hoewel geen personage is Kasteel Molensloot (originele, Franse naam: château Moulinsart) wel belangrijk in enkele albuns. Het is een fictief kasteel in België, waar Kuifje, kapitein Haddock en professor Zonnebloem verblijven.

Het Franse Moulinsart is afgeleid van Sart-Moulin, een gehucht van de Waals-Brabantse gemeente Eigenbrakel. Het kasteel is een kopie van het middengedeelte van het kasteel van Cheverny in de Franse Loirestreek. Ook een deel van het interieur is van dit gebouw afgeleid.

Kasteel Molensloot

Hergé situeerde het kasteel niet ver van Brussel, op enkele kilometers van het fictieve dorp Molensloot. Het dorp zelf komt nooit in de albums in beeld, wel enkele inwoners en het treinstation (in De zeven kristallen bollen).

Het kasteel van Molensloot behoorde ooit toe aan de voorvaderen van kapitein Haddock. Het komt voor het eerst voor in Het geheim van de Eenhoorn, waar het op dat moment de woonplaats is van de criminele gebroeders Vogel. Aan het eind van het vervolg, De schat van Scharlaken Rackham, koopt Haddock dit kasteel met het geld dat professor Zonnebloem heeft verdiend met het verkopen van het patent op zijn duikbootje en gaat er zelf wonen. Hij houdt daarbij de butler van de gebroeders Vogel, Nestor, in dienst.

Het kasteel is in de latere albums de vaste woonstee van kapitein Haddock en professor Zonnebloem. Later, zeker vanaf De zaak Zonnebloem, lijkt ook Kuifje zelf er te wonen. Het album De juwelen van Bianca Castafiore is in zijn geheel gewijd aan de verwikkelingen die zich op Molensloot voordoen, nadat zich allerlei ongenode gasten in en om het kasteel hebben geïnstalleerd.

Een running gag omtrent Molensloot gaat om het feit dat wanneer men vanuit of naar kasteel Molensloot wil telefoneren, men steevast bij Slagerij Van Kampen – in het originele Franstalige verhaal Boucherie Sanzot – in het dorp terechtkomt, wat altijd tot frustraties leidt bij kapitein Haddock.