Linda en Meryl en Kuifje 1/…

Een fan heeft alles gelezen, beluisterd of gezien van een bepaalde artiest. Volgens die definitie was/ben ik fan van:

  • Linda Ronstadt
  • Meryl Streep
  • Kuifje

Van Linda had ik nagenoeg al haar LP’s en CD’s en van Meryl heb ik ook nagenoeg alle films gezien waar ze in speelde. Maar mijn wereldbeeld als jongen van 8 of 9 jaar werd gevormd door de strips “De avonturen van Kuifje” van Hergé.

Laat ik nog eens een wandeling langs “memory lane” maken. Ik maak daarbij een mix van wat Wikipedia meldt en wat mijn eigen ervaringen zijn.

Linda Ronstadt

Linda Marie Ronstadt (Tucson (Arizona), 15 juli 1946 (bijna gelijk met mij jarig :)) is een Amerikaanse zangeres, die in de jaren zeventig doorbrak met door pop beïnvloede countryrock. Ronstadt sleepte elf Grammy Awards in de wacht en stopte met zingen nadat bij haar de ziekte van Parkinson werd vastgesteld.

Linda Ronstadt in de Sixties

The Three Ronstadts

Tijdens haar studie aan de Universiteit van Arizona ontmoette ze gitarist Bob Kimmel voor het eerst in 1960 tijdens optredens in en rond Tucson, Arizona met haar oudere broer Peter en oudere zus Suzi (onder de naam “The Three Ronstadts“). Kimmel, die zes jaar ouder was dan Linda, was onder de indruk van de sterke stem en het enthousiasme van de veertienjarige.

The Stone Poneys

Samen met Kimmel trok ze in 1964 naar Los Angeles, waar gitarist en songwriter Kenny Edwards zich bij hen aansloot. Gedrieën vormden ze de folkgroep The Stone Poneys. In 1967 nam de groep hun eerste album op. Date album, simpelweg The Stone Poneys genoemd, was meer folk dan rock en bevatte relatief weinig zang van Ronstadt. Het kreeg weinig aandacht.

Voor het tweede album Evergreen, Volume 2 waren de nummers meer rock en Linda werd vast verplaatst naar de positie van leadzangeres, met slechts af en toe een harmoniezang. Het album bevat het enige hitnummer Different Drum, geschreven door Michael Nesmith (van de Monkees). Het succes van Different Drum betekende het effectieve einde van The Stone Poneys als band: bijna onmiddellijk begonnen ze bekend te worden als Linda Ronstadt and The Stone Poneys. Ook, in tegenstelling tot de andere singletjes, die uitsluitend onder de naam van de band waren uitgebracht, bevatte de Different Drum-single ook in kleine letters: Met Linda Ronstadt. Het trio brak uit elkaar, maar ingegeven door het succes maakte Ronstadt op aandrang van platenmaatschappij Capitol nog een derde album ‘Stone Poneys and friends‘.

Solo

In 1968 begon Ronstadt een solocarrière. In 1971 kwam haar derde album uit, Linda Ronstadt. Haar begeleidingsband bestond uit een groep muzikanten die later Eagles zouden vormen. In 1974 brak ze door toen ze in de Verenigde Staten een reeks hits scoorde, alle afkomstig van het album Heart Like a Wheel. De single “You’re No Good” (een cover van een hit van Betty Everett) werd ook in Europa een hit.

Linda Ronstadt – Heart like a Wheel (1974)

Heart Like a Wheel werd haar eerste album dat de bovenste positie van de Billboard Top 200 album chart bereikte en vier weken nummer een was op de Billboard Country Album chart.

Voor haar tweede Rolling Stone cover, maakte Annie Leibovitz een foto van Ronstadt terwijl ze bewust de camera inkijkt gekleed in een “silk red slip“; “Annie brought it,” vertelt ze. “I said, ‘I don’t wear stuff like that.’ It made me change my subsequent album cover [1977’s Simple Dreams] because I didn’t really want that sexy image to be me. It’s hard to live up to that.”

Linda Ronstadt – Rolling Stone cover 1976

Haar grootste succes kwam echter met het album Simple Dreams, uit 1977. Het album bevatte onder andere de hits “It’s So Easy” (oorspronkelijk van Buddy Holly) en “Blue Bayou” (oorspronkelijk van Roy Orbison). Ook bevatte het album enkele nummers geschreven door Warren Zevon en een versie van “Tumbling Dice” van The Rolling Stones. Het album werd het best verkochte van haar hele carriére, en in die tijd zelfs het op één na best verkopende album van een vrouwelijke artiest (net achter Carole King’s Tapestry). Simple Dreams bracht vijf weken door op de nummer een positie van de Billboard album chart, en verdrong Fleetwood Mac’s Rumours dat daar al een recordperiode van 29 weken had gestaan.

Linda Ronstadt – Simple Dreams (1977)

Maar hier laat Wikipedia toch wel een steekje vallen: ze slaan zo maar mijn favoriete album over! Ik heb het natuurlijk over “Hasten down the Wind” uit 1976. Grappige vond ik indertijd dat je “hasten” moest uitspreken als “heesen“.

Op dit album staan pareltjes zoals de drie covers van Karla Bonhoff: “Lose again“, “If he’s ever near” en de afsluiter “Someone to lay down beside me“. Maar ook een paar covers van klassiekers: “That’ll Be The Day” van Buddy Holly en de Patsy Cline-countryklassieker “Crazy“, geschreven door Willie Nelson. Dat nummer werd uitgebracht als single en bereikte nummer 10 op de Billboard country-hitlijst.
Ook staat Linda genoemd als schrijver van twee nummers: “Lo siento mi vida” (samen met Gilbert Ronstadt en Kenny Edwards) en “Try me again” (samen met Andrew Gold).
Producer was de Engelsman Peter Asher, die ooit nog een helft was van het duo Peter & Gordon.

Linda Ronstadt – Hasten down the Wind (1976)

Na Simple Dreams bracht ze het album Living in the U.S.A. uit, waarop Ronstadt een staalkaart aanbiedt van de 20e-eeuwse popmuziek met nummers van Romberg en Hammerstein [‘When I grow too old to dream’] om via Elvis‘ ‘Love me tender‘ en de sixties [‘Just one look‘ en ‘Ooh baby, baby‘] uiteindelijk uit te komen bij nummers van Little Feat en Elvis Costello. Het album is in feite een vooraankondiging van haar carrière vanaf de jaren 80 waarin Linda de meest uiteenlopende genres van de muziek uitvoert op de plaat alsook op diverse podia.

Eagles

In 2014 vertelde Linda Ronstadt in een Billboard interview over hoe een legendarische band mede door haar toedoen werd geformeerd:

[Producer] John Boylan was very active in helping me put a band together in those days. He knew all the musicians, and apparently Don Henley had already sent him some songs he had written. He’d heard me sing, he’d heard my records, he wanted to meet me and he came to L.A. hoping he could, and he had written some songs he hoped maybe I’d record. He sent them to John and they didn’t turn out to be good songs for me at the time, but I heard him play the drums when I was walking through the room at the Troubadour and I thought he was such a good drummer. He had country mixed with rock in a way that didn’t compromise either genre. So I said, ‘Let’s see if we can get him to play drums,’ and John went to talk to him and he said, ‘All right.’
“So we hired [Henley] to play drums. And then I needed a guitar player. I couldn’t take Bernie Leadon because he was working with the Flying Burrito Brothers, so I said ‘All right, I’ll get Glenn Frey. He can play really good guitar.’ I was living with J.D. Souther then, and [Frey] was J.D.’s music partner. They had a group called Longbranch Pennywhistle. They were kind of breaking up; they decided to go their separate ways, but they were still really good friends. So I asked Glenn if he would come on that tour with us.
In those days we didn’t have enough money to put people in separate rooms, so Glenn and Don were rooming together and they each discovered the other could sing and was a great songwriter. Glenn used to call Don his secret weapon. He said, ‘I’m gonna do a band with Don. We’re gonna do a band together.’ I said, ‘That’s a great idea.’ “So we all talked about it. John said, ‘I can help you do this. I can help you put this band together, and while you’re waiting to get a record deal, you can play with Linda and you can have a gig.’ It was one of those kinds of situations where it was in everybody’s advantage. So I suggested they get Bernie Leadon to play guitar because I liked Bernie and John suggested that they get Randy Meisner, and that’s how the Eagles were formed.
They used to rehearse in my house, where I was living with J.D., because we had a bigger living room than they did. And I remember coming home one day and they had rehearsed ‘Witchy Woman’ and they had all the harmonies worked out, four-part harmonies. It was fantastic. I knew it was gonna be a hit. You could just tell. They had really strong voices, really strong playing, really strong songwriting ideas and they had an extended pool of songwriters like Jack Tempchin and J.D. Souther and Jackson Browne. It was just an amazing time. There was no way they could
miss with all that going for them.”

Broadway

Begin jaren tachtig was Ronstadt te zien op Broadway in The Pirates of Penzance, een toneelstuk naar een operette van Gilbert en Sullivan, en in 1983 in de filmversie van dit stuk. Voor haar rol in het toneelstuk werd ze in 1981 genomineerd voor een Tony Award. Ze nam hierna een reeks van drie albums op met “pop standards” van onder andere George Gershwin, Irving Berlin, Richard Rodgers en Nat King Cole. Op deze albums werd zij begeleid door het orkest van Nelson Riddle.

Linda Ronstadt – What’s New (1983)

Samen met het orkest van Nelson Riddle nam ze, naast “What’s New” (1983) nog twee albums op: “Lush life” (1984) en “For sentimental reasons” (1986). Hiermee liet ze zien dat ook het genre smooth jazz voor haar geen probleem was!

Samenwerking

Belangrijk was ook haar vocale bijdrage aan het nummer “An American Dream” van The Dirt Band, een Amerikaanse country-, folk- en rockband die met dit lied in Nederland een top 10-hit scoorde.

In 1986 zong ze met Paul Simon het nummer “Under African Skies” op diens album Graceland. Eind 1986 keerde ze terug naar de popmuziek. Ze nam met James Ingram de hit “Somewhere Out There” op voor de soundtrack van de tekenfilm Een Avontuur Met een Staartje (An American Tail).
Het jaar daarop bracht ze samen met Dolly Parton en Emmylou Harris het album Trio uit (door Warner Bros. Records). Het album verkocht wereldwijd vier miljoen exemplaren en sleepte onder meer twee Grammy Awards in de wacht.
De zangeressen vonden elkaar in hun gedeelde country-achtergrond, en hun waardering voor elkaars werk. In 1975 deden ze een gezamenlijk optreden in de tv-show van Dolly Parton; daarna ontstond het plan om een trio-album te maken. De eerste opnamen bleven echter op de plank liggen omdat de zangeressen elk bij een andere platenmaatschappij zaten, en hun eigen verplichtingen hadden. Als single werd een bewerking van To Know Him Is to Love Him, het nummer dat Phil Spector in 1958 schreef voor The Teddy Bears, een hit.

Dolly Parton, EmmyLou Harris en Linda Ronstadt – Trio

Mexicaanse roots

Datzelfde jaar bracht ze een album uit met daarop traditionele Mexicaanse mariachi-liedjes (Canciones de Mi Padre), het is met 2,5 miljoen verkochte platen het best-verkochte niet-engelstalig album in de VS. In 1989 verscheen het popalbum Cry Like a Rainstorm – Howl Like the Wind, waarop enkele duets staan met Aaron Neville. Dit album bracht onder andere de hit “Don’t Know Much” voort. Begin jaren 90 bracht Ronstadt nog twee Spaanstalige albums uit; Mas Canciones, het vervolg op Canciones de Mi Padre, en Frenesí dat in 1993 bekroond werd met een Grammy Award voor beste latin-album.

Daarna keerde Ronstadt terug naar de popmuziek; op Feels Like Home uit 1995 coverde ze Tom Petty’s The Waiting en op Dedicated to the One I Love uit 1996 bewerkte ze rockklassiekers tot kinderliedjes. In 1999, twaalf jaar na de eerste Trio, kwamen Ronstadt, Parton en Harris met het vervolgalbum Trio II.

Relaties

Ronstadt heeft relaties gehad met enkele beroemdheden, onder wie Jerry Brown, destijds gouverneur van Californië, en filmregisseur George Lucas, maar trouwde nooit.

Parkinson

In 2013 werd bekend dat Ronstadt lijdt aan de ziekte van Parkinson. Volgens de zangeres kan ze door de ziekte ‘geen noot meer zingen’. Dat zei de toen 67-jarige Ronstadt in het jaar 2013 in een interview met het tijdschrift AARP. Volgens Ronstadt kreeg ze de diagnose acht maanden daarvoor te horen. Daarmee werd voor haar het mysterie verklaard waarom ze niet meer kon zingen, zo zegt ze in het interview. “Ik ben mijn stem zo goed als verloren” en “Ik kan niet eens meer onder de douche iets zingen.” Toen Linda hoorde dat ze Parkinson heeft, was ze al gestopt met optredens. “Ik merkte dat ik stond te schreeuwen op het podium. Het was geen zingen meer.” Na negen jaar tobben, stopte ze in 2009 met optreden.

Eind 2019 hebben haar artsen hun diagnose herzien in Progressieve supranucleaire parese. De toen 73-jarige Linda won maar liefst 10 Grammy’s en verkocht meer dan 100 miljoen platen, maar moest haar zangcarrière noodgedwongen afbreken. In datzelfde jaar werd Ronstadt geëerd met een verrassingstribute in Washington en kwam een documentaire over haar leven en de successen in première via CNN (zie hieronder).
Bij het ‘tribute’ aan Ronstadt traden Carrie Underwood, Trisha Yearwood, haar voormalige partner Aaron Neville en onder meer Emmylou Harris op.

Onbehandelbare ziekte

De progressieve ziekte die Ronstadt heeft getroffen, kan niet door artsen worden behandeld, maar ondanks dat heeft ze in 2019 nog een aantal interviews gegeven. Als aan haar wordt gevraagd wat het belangrijkste advies is voor jonge artiesten zegt ze: “Zorg ervoor dat je zelf een instrument kan bespelen, want dan ben je nooit afhankelijk van anderen als je moet optreden.”

Documentaire: The Sound of My Voice

In de documentairereeks Het uur van de Wolf op de Nederlandse televisie werd, enigszins overdreven, Ronstadt aangekondigd als de Beyoncé van de jaren zeventig. Aan de Amerikaanse westkust brak ze door met haar countryrock, waarmee ze wereldhits scoorde als You’re No Good en It’s So Easy. Behalve zijzelf komen – zoals meestal in docu’s over popsterren – collega-muzikanten, producers, platenbonzen en exen aan het woord (die altijd zo vol liefde over de protagonist spreken dat het een raadsel is hoe het ooit tot een scheiding kon komen).

Natuurlijk gaat het over haar onwaarschijnlijke vocale kwaliteiten, onder meer bezongen door gitarist Ry Cooder, singer-songwriters Jackson Browne en Karla Bonoff, countryheldinnen Emmylou Harris, Dolly Parton en bluesrocker Bonnie Raitt. Die laatsten zijn, net zomin als Ronstadt zelf, vrouwen die schromen de scherpe doornen te beschrijven op het pad naar Grammy’s of de Hollywood Walk of Fame.

Ze schetsen het beeld van Ronstadt als een vrouw die hoogst onzeker was, ondanks haar talent en dat nota bene de latere Eagles haar begeleidingsgroep was. Ze wist zeker, als ze twee mensen op de eerste rij van de zaal met elkaar zag smoezen, dat ze zeiden: ‘Niet om aan te horen!

Ronstadt hield stand in een ‘vrouwvijandig’ klimaat. ‘Mannelijke muzikanten vonden het niet cool om een vrouw te begeleiden.’ Ronstadt zag rocksterren omringd door ‘managers, groupies en meelopers die ze in alles hun zin gaven. Ze leefden naar hun imago. Geen wonder dat ze allemaal aan de drugs gingen.’ Groot waren de verlokkingen van de nacht, en menigeen volgde het voorbeeld van Keith Richards, Rolling Stones’ erkende grootverbruiker van heroïne. Ook Ronstadt zelf gaf toe aan de verlokkingen van stimulantia (hoe ze weer van de speed af raakte, komt helaas niet aan de orde).

Haar weerzin tegen de muziekindustrie (‘altijd hits draaien, als een wasmachine’) en ‘arena’s waar je de gitaarsolo van vorige week nog kon horen galmen’ deed haar de rockindustrie de rug toekeren. Ze beproefde nieuwe genres: operette, mariachi. Succesvol, maar carrièreswitches die wellicht ook voorkwamen dat ze écht de Beyoncé van haar tijd werd.

De docu eindigt met de door parkinson gevelde Ronstadt, de ziekte die haar ‘de kleuren’ in haar stem ontnam. Zachtjes zingt ze in de huiskamer een liedje mee, zoekend naar de toon maar spatzuiver. ‘Ik vul alleen wat noten in’, zegt ze berustend.

Discografie

Hand sown… Home grown1969
Silk purse1970
Linda Ronstadt1971
Don’t cry now1973
Heart like a wheel1974
Prisoner in disguise1975
Hasten down the wind1976
Greatest hits1976
Simple dreams1977
Living in the USA1978
Mad love1980
Greatest hits, volume 21980
Get closer1982
What’s new1983
Lush life1984
For sentimental reasons1986
Trio1987
Canciones de mi padre1987
Cry like a rainstorm, howl like the wind1989
Mas canciones1990
Frenesí1992
Winter light1994
Feels like home1995
Dedicated to the one I love1996
We ran1998
Trio 21999
Canciones – The Mexican collection1999
Western wall: The Tucson sessions1999
A merry little Christmas2000
Hummin’ to myself2004
Adieu false heart2006