CT-, PET- of MRI?

Mijn lief wordt regelmatig onderzocht middels een CT-, PET- of MRI, en het is mij niet altijd duidelijk wat de verschillen zijn en waarom soms de een en dan de ander voorkeur verdient. Daarom heb ik me er maar eens in verdiept.

Vergelijkend schema: CT – MRI – PET

KenmerkCT-scanMRIPET-scan
Volledige naamComputed TomographyMagnetic Resonance ImagingPositron Emission Tomography
Natuurkundig principeRöntgenstralingMagnetisch veld + radiogolvenRadioactieve tracer (gamma)
Wat wordt gemeten?Dichtheid / structuurMoleculair gedrag (waterstof)Celactiviteit / metabolisme
Type informatieAnatomischAnatomisch (zachte weefsels)Functioneel / biologisch
StralingJaNeeJa (radioactief)
Onderzoeksduur10 Minuten20–60 minuten1–2 uur
ResolutieHoogZeer hoog (zachte weefsels)Lager
Zachte weefselsMatigUitstekendBeperkt
Botten & longenUitstekendSlechtSlecht
TumoractiviteitVorm & grootteBeperktUitstekend
OntstekingenSomsGoedZeer gevoelig
HersenenGoed (spoed)UitstekendFunctie & metabolisme
Spoedgeschikt✔️
Metaal/implantatenMeestal veiligSoms gevaarlijkMeestal veilig
KostenLaag–middelHoogHoog
Typische combinatieCTMRIPET-CT / PET-MRI

Wanneer gebruik je welke techniek?

CT → “Wat is er acuut mis?”

  • Trauma
  • Bloeding
  • Longembolie
  • Botbreuken
  • Spoedsituaties

MRI → “Wat is er precies aan de hand?”

  • Hersenen en ruggenmerg
  • Spieren, pezen, gewrichten
  • Chronische aandoeningen
  • Neurologie

PET → “Is dit weefsel actief of ziek?”

  • Kanker (uitzaaiingen, therapierespons)
  • Ontstekingshaarden
  • Hersenstofwisseling
  • Cardiale vitaliteit

Combinaties in de praktijk

CombinatieWaarom
PET-CTActiviteit + exacte anatomische locatie (oncologie)
PET-MRIActiviteit + superieur zacht-weefselcontrast (neuro-oncologie)
CT → MRIEerst snel, daarna diepgaand
CT → PET-CTStructuur → biologische relevantie

Samenvattend

  • CT laat zien hoe het lichaam eruitziet
  • MRI laat zien hoe het weefsel zich gedraagt
  • PET laat zien wat het weefsel doet

Samen vormen ze een volledig beeld van structuur, functie en ziekte.

CT scan

1. Wat is een CT-scan?

Hieronder vind je een volledig en systematisch overzicht van de werking van de CT-scan (Computed Tomography) — van fysische principes tot klinische toepassingen, inclusief voordelen, beperkingen en veiligheid.

Een CT-scan is een medische beeldvormingstechniek die met behulp van röntgenstraling en computer-reconstructie gedetailleerde dwarsdoorsneden (slices) van het menselijk lichaam maakt. In tegenstelling tot een gewone röntgenfoto, die een platte projectie oplevert, toont een CT-scan de interne anatomie in drie dimensies.

De techniek werd begin jaren 1970 ontwikkeld (o.a. door Godfrey Hounsfield) en vormt sindsdien een kerninstrument in de moderne geneeskunde.

1.2. De kernprincipes: hoe werkt een CT-scan?

1.2.1 Röntgenstraling

  • Een CT-scanner gebruikt röntgenfotonen, die door het lichaam worden gestuurd.
  • Verschillende weefsels absorberen röntgenstraling in verschillende mate:
    • Bot → sterke absorptie
    • Spieren & organen → middelmatig
    • Lucht → minimale absorptie

Deze verschillen vormen de basis voor contrast in het beeld.

1.2.2 Rotatie rond het lichaam

  • In de ring (zie afbeelding hierboven) draaien:
    • een röntgenbuis (zendt straling uit)
    • tegenoverliggende detectoren (meten doorgelaten straling)
  • Tijdens de scan maakt het systeem honderden tot duizenden metingen vanuit verschillende hoeken.

De patiënt ligt op een tafel die:

  • óf stapsgewijs beweegt (klassieke CT)
  • óf continu doorschuift (spiraal- of helicale CT)

1.2.3 Digitale reconstructie

De computer zet de ruwe meetgegevens om via wiskundige algoritmen:

  • Filtered Back Projection (klassiek)
  • Iteratieve reconstructie (moderner, minder ruis)
  • AI-geassisteerde reconstructie (recent)

Resultaat:

  • dunne plakjes (vaak 0,5–1 mm)
  • die kunnen worden samengevoegd tot 3D-beelden

1.3. Hounsfield-eenheden (HU)

CT-beelden gebruiken een gestandaardiseerde schaal:

WeefselHU-waarde (ongeveer)
Lucht−1000
Vet−100
Water0
Spier+40
Bot+700 tot +3000

Deze schaal maakt kwantitatieve analyse mogelijk (bijv. botdichtheid, longschade).

1.4. Contrastmiddelen

1.4.1 Waarom contrast?

Sommige structuren (bloedvaten, tumoren, organen) zijn zonder contrast slecht zichtbaar.

1.4.2 Soorten contrast

  • Jodiumhoudend contrast (meestal intraveneus)
  • Soms oraal contrast (maag-darmkanaal)

Contrast:

  • verhoogt absorptie van röntgenstraling
  • maakt verschillen tussen weefsels scherper zichtbaar

Let op:

  • risico op allergische reacties (zeldzaam)
  • voorzichtigheid bij nierproblemen

1.5. Soorten CT-scans

1.5.1 Standaard CT

Algemene anatomische beeldvorming.

1.5.2 Spiraal- / Helicale CT

Sneller, minder stralingsbelasting, ideaal voor spoed.

1.5.3 CT-angiografie

Visualiseert bloedvaten (bijv. aneurysma’s, longembolie).

1.5.4 HRCT (High Resolution CT)

Voor longziekten (fibrose, COPD).

1.5.5 Cardiale CT

Beeldvorming van kransslagaders en hartstructuren.

1.6. Klinische toepassingen

CT-scans worden o.a. gebruikt voor:

  • Trauma (inwendige bloedingen)
  • Hersenaandoeningen (beroerte, tumor)
  • Longziekten (COVID-19, longembolie)
  • Kankerdiagnostiek en stadiering
  • Buikklachten (appendicitis, obstructies)
  • Bot- en wervelkolompathologie

1.7. Straling en veiligheid

1.7.1 Stralingsdosis

  • CT gebruikt meer straling dan een gewone röntgenfoto
  • Dosis varieert per onderzoek (bijv. hoofd vs. buik)

1.7.2 Risico-afweging

Artsen hanteren het principe:
ALARA — As Low As Reasonably Achievable

Nieuwe scanners:

  • gebruiken dosisreductie-technieken
  • combineren hardware + software + AI

1.8. Voordelen en beperkingen

1.8.1 Voordelen

  • Zeer snel (spoeddiagnostiek)
  • Hoge ruimtelijke resolutie
  • Breed inzetbaar
  • 3D-visualisatie

1.8.2 Beperkingen

  • Ioniserende straling
  • Minder geschikt voor zachte weefsels dan MRI
  • Contrast kan bijwerkingen geven
PET scan

2. Wat is een PET-scan (Positron Emission Tomography)?

  • Gebaseerd op radioactieve tracers
  • Meet stofwisseling en activiteit van cellen
  • Antwoordt op de vraag: “Wat doet het weefsel?”

2.1 Hoe werkt een PET-scan precies?

2.1.1 Radioactieve tracer

  • Meestal FDG (fluor-18-deoxyglucose)
  • Lijkt op glucose → actieve cellen nemen het sneller op
  • Vooral:
    • kankercellen
    • ontstekingscellen
    • hersencellen

2.1.2 Positronemissie

  • De tracer zendt positronen uit
  • Positron + elektron → annihilatie
  • Hierbij ontstaan twee gammafotonen in tegengestelde richting

2.1.3 Detectie

  • Detectoren vangen deze fotonen op
  • Computer berekent waar de activiteit plaatsvond
  • Resultaat: warmtekaart van celactiviteit

2.2 Klinische toepassingen

2.2.1 PET-scan – vooral geschikt voor:

  • Kankerdiagnostiek
    • opsporen van metastasen
    • beoordelen van therapierespons
  • Neurologie
    • epilepsie
    • dementie (Alzheimer)
  • Cardiale vitaliteit
  • Ontstekingsziekten

2.3 PET-CT: het beste van twee werelden

2.3.1 Waarom combineren?

  • PET toont waar iets actief is
  • CT toont waar het zich exact bevindt

2.3.2 PET-CT levert:

  • Exacte anatomische lokalisatie van actieve cellen
  • Betere tumorstadiering
  • Minder fout-positieven

In de oncologie is PET-CT vaak de gouden standaard.

2.4 Voorbeeld: kankerdiagnostiek

  • CT: “Er zit een massa in de long”
  • PET: “Deze massa is metabool actief”
  • PET-CT: “Deze actieve tumor zit precies hier én heeft uitzaaiingen daar”

Dit maakt het verschil tussen:

  • observeren
  • behandelen
  • of opereren
MRI scan

3. Wat is MRI-scan (Magnetic Resonance Imaging)?

  • Gebruikt geen ioniserende straling
  • Werkt met:
    • zeer sterk magnetisch veld
    • radiogolven
  • Meet gedrag van waterstofkernen (protonen) in het lichaam

3.1 Hoe werkt MRI in grote lijnen?

  1. Het sterke magnetisch veld richt waterstofkernen uit.
  2. Radiopulsen verstoren deze uitlijning.
  3. Protonen keren terug naar hun oorspronkelijke toestand.
  4. Daarbij zenden ze signalen uit.
  5. Deze signalen verschillen per weefseltype.
  6. De computer reconstrueert dit tot zeer gedetailleerde beelden.

3.2 Klinische toepassingen

3.2.1 Vooral geschikt voor

  • Hersenen (tumoren, MS, infarcten)
  • Ruggenmerg en zenuwen
  • Spieren, pezen, banden
  • Gewrichten
  • Chronische aandoeningen

3.3 Contrast

MRI-contrast geeft vooral functioneel weefselcontrast, niet zozeer vaatvulling.

3.4 Straling en veiligheid

MRI is biologisch veiliger, maar kent technische beperkingen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *