In een snel tempo doorloop ik even de geschiedenis van het schaakspel.
Ongeveer 1500 jaar geleden was er in het Gupta-rijk van India een spel genaamd chaturanga. Dit Sanskrietwoord betekent “vier ledematen,” verwijzend naar de vier delen van een leger (naast de shah en visir):
- soldaten,
- olifanten (die werden gebruikt als mobiele boogschietplatforms),
- strijdwagens en
- paarden.
Het oorspronkelijke gebruik ervan was waarschijnlijk om tactisch denken aan militaire leiders te leren, wat ook tot uiting komt in het gebruik ervan door latere culturen. We weten dat chaturanga zich verspreidde naar het door de Sassaniden gecontroleerde Perzië, waar het shatranj werd genoemd. Dit gebeurde ergens in de 8e eeuw, want er zijn archeologische vondsten van speelstukken bij Samarkand. Het Perzische epische gedicht Shahnameh vermeldt ook een uitdaging tussen heersers uit India en Perzië.
Het spel werd enorm populair in Perzië en werd voornamelijk door de adel gespeeld. Het verspreidde zich uiteindelijk in de 9e eeuw over het Arabische schiereiland en naar Noord-Afrika. Het spel reisde ook oostwaarts langs de Zijderoute en vond enige populariteit in China en later Japan, die beide hun eigen versies ontwikkelden.
Ook tegenwoordig worden er veel versies van schaken gespeeld. Historisch gezien waren er ook varianten op de standaard regels, waarbij sommige versies hun eigen stukken en regels toevoegden.
Schaken komt naar West-Europa
Rond dezelfde tijd dat het Perzische schaak zijn weg vond naar Noord-Afrika, verspreidde het zich ook naar Spanje via de Moorse invasie van het Iberisch schiereiland. Toen het schaakspel eenmaal Europa bereikte, was er weinig begrip voor de vormgeving van de stukken, bijvoorbeeld: waarom de olifant? Daardoor veranderden de stukken geleidelijk en werden ze hernoemd om beter bij de lokale cultuur te passen. De voetsoldaten werden pionnen, de olifant werd bisschop (aangezien het katholicisme destijds de dominante religie in Europa was), de strijdwagen werd omgedoopt tot toren of kasteel, en het paard werd ridder, maar behield zijn karakteristieke paardenkopvorm. De visir, of de hoofdadviseur werd hervormd tot de koningin. Tenslotte de shah werd omgedoopt tot de koning. Het woord “schaakmat” komt van het Perzische “sjah mat,” ofwel “de Koning is hulpeloos/dood.”
Schaken verspreidde zich via Vikinghandels- en scheepvaartroutes naar West- en Noordwest-Europa. Frankrijk, Engeland, Duitsland en Rusland maakten in deze periode kennis met schaken.
De Lewis Chessmen, opgegraven in 1831, illustreren het contact tussen Vikinghandelaren (die ook hun eigen versie van schaken hadden) en Schotland.

Schaken als opvoeding van edelen
Net als in Perzië speelden edelen in Europa schaak als een middel tot vermaak en een manier om abstract denken en militaire tactieken aan te scherpen. Van ridders werd bijvoorbeeld verwacht dat ze leerden schaken, omdat schaken werd beschouwd als een standaardtijdverdrijf voor mensen van adellijke afkomst.
De Dominicaanse monnik Jacobus de Cessolis schreef een schaakboek in de 13e eeuw, waarin hij de regels en de historische context van het spel uitlegde. Hij schreef ook hoe het kon worden gezien als allegorie voor het samenspel tussen de verschillende lagen van de feodale samenleving. De pionnen kunnen bijvoorbeeld worden vergeleken met gewone mensen. Beginners in het schaakspel offeren hun pionnen vaak onnodig op, net zoals sommige feodale heren de boeren onder hun bewind mishandelden.
Andere regels
Voor loper en koningin
Toen schaken voor het eerst naar Europa kwam, was het tempo van het spel erg laag, vergeleken met hoe het vandaag de dag wordt gespeeld. Dit komt door wijzigingen in de manier waarop bepaalde stukken bewegen, met name de koningin en de loper (bisschop).
Oorspronkelijk kon de loper slechts twee velden van dezelfde kleur verplaatsen, maar later kreeg hij de mogelijkheid om een willekeurig aantal velden van dezelfde kleur (diagonalen) te verplaatsen.
De koningin was oorspronkelijk veel minder krachtig en kon slechts één veld diagonaal bewegen; Het vermogen van de koningin om een willekeurig aantal velden in welke richting dan ook te verplaatsen, werd in de 15e eeuw geïntroduceerd. Men denkt dat dit een afspiegeling is van de manier hoe, in die tijd, de Spaanse koningin Isabella zich manifesteerde.
Voor pion
Bovendien kreeg de pion een upgrade van zijn beweging. Aanvankelijk konden pionnen slechts één veld direct naar voren bewegen, maar dit maakte het spel voor de meeste mensen te langzaam om van te genieten. Daarom werd de regel geïntroduceerd die pionnen toestaat twee velden te verplaatsen, maar alleen bij de eerste zet. Op zijn beurt leidde deze regel weer tot het instellen van de en passant regel. En passant betekent “in het voorbijgaan.” Als de zwarte pion bijvoorbeeld op zijn eerste zet van twee velden naast een witte pion landt dan mag wit de zwarte pion slaan alsof die maar één veld vooruit was gegaan. Dit moet wel op de direct daarop volgende zet gebeuren, anders vervalt deze mogelijkheid.
Voor koning en toren: korte en lange rokade
De laatste grote bewegingsregel die werd geïntroduceerd, is de mogelijkheid van de koning om naar de koningsvleugel of de damevleugel te rokeren. Deze zet beschermt zowel de koning, die onveilig in het centrum staat, als de toren, die anders lang in zijn hoek vastzit.

Modern Chess
Een ander aspect van het schaakspel dat we nog niet hebben besproken, is de schaaknotatie, die wordt gebruikt om spellen op te nemen voor latere studie en analyse. In het verleden gebruikten spelers een beschrijvende notatie, waarbij ze aan elk stuk een initiaal toekenden; QBP (Queen Bishop Pawn) verwees bijvoorbeeld naar de loperpion op de damevleugel. Bestanden werden aangeduid met het stuk dat ze normaal bezet (in het Engels): R voor de toren, N voor het paard (geen K want dat is de koning), enz. De veld nummering was relatief ten opzichte van elke speler en kon verwarrend zijn. Vanaf 1970 werd algebraïsche notatie geïntroduceerd, waarbij elk veld een rij/lijnnaam kreeg op basis van de witte kant van het bord; E2 vertegenwoordigt bijvoorbeeld het startveld van de witte koningspion. Stukken behouden hun initialen.
Schaken wordt in zijn huidige vorm zowel casual als competitief gespeeld. En zowel “over the board” als online. Competitief schaken werd geholpen door de toevoeging van regels voor remise (zoals de drievoudige herhalingsregel en de 50-zettenregel) en schaakklokken, die vanaf 1883 op grote schaal werden gebruikt.

Schaakklokken geven elke speler een bepaalde hoeveelheid tijd om al zijn zetten te doen. Voor de eerste 40 zetten van een spel kan elke speler bijvoorbeeld 90 minuten krijgen, en daarna, voor de rest van de partij, nog 30 minuten extra.
Deze toevoegingen aan het spel en het gemak van online spelen hebben schaken tot een van de meest duurzame en populaire bordspellen aller tijden gemaakt.


