CBS 2024 over integratie

Recentelijk was er weer een heleboel discussie over de integratie/migratie van mensen uit het buitenland. Vele cijfers vlogen voorbij, maar wat zijn de feiten?
Die weet het Centraal Bureau voor Statistiek. Op hun site staat een rapport dat “Integratie en samenleven 2024” heet. Ook is er een webpublicatie “Asiel en integratie 2025“. Ik haal daar wat feiten uit.

Aantallen

Op 1 januari 2024 telde Nederland 17,9 miljoen inwoners. Daarvan zijn er

  • 12.941.700 Inwoners waarvan de twee ouders geboren zijn in Nederland
  • 2.086.300 Inwoners waarvan een of twee ouders geboren zijn in het buitenland
  • 2.914.900 Inwoners die geboren zijn in het buitenland

Tussen 1 januari 2019 en 1 januari 2024 kwamen er 616.000 in het buitenland geboren inwoners en 159.000 mensen van de tweede generatie bij, terwijl het aantal inwoners met een Nederlandse herkomst met 115.000 afnam.

Hieronder een overzicht van de herkomstlanden en in hoeverre de inwoner aldaar of in Nederland geboren is:

Aantallen hieronder x1000:

Sociaaleconomische Positie

De positie van mensen met een herkomst buiten Nederland wijkt op verschillende domeinen af van het gemiddelde van de totale bevolking. Zo

  • wonen ze gemiddeld in kleinere woningen,
  • verlaten ze vaker het onderwijs zonder startkwalificatie,
  • hebben ze minder vaak werk,
  • een lager inkomen, en
  • zijn ze vaker uitkeringsafhankelijk.

Ook worden hun arbeidsloopbanen zwaarder getroffen door laagconjunctuur.

Tweede Generatie

Binnen de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, en Nederlands-Caribische herkomst-groepen verschilt de tweede generatie op het gebied van wonen, sociaal-economische positie en onderwijs minder van het bevolkingsgemiddelde dan migranten. De tweede generatie woont groter, heeft vaker een koophuis, een hogere arbeidsparticipatie, een hoger inkomen, en vaker een hbo- of wo-diploma.
Wel verschilt de positie van de tweede generatie op al deze domeinen ook in 2023 nog van het gemiddelde.

In de overgang naar het voortgezet onderwijs lijkt er sprake van een inhaalslag: Het aandeel leerlingen van de tweede generatie dat havo of vwo volgt steeg sterker dan gemiddeld. Toch lijkt deze trend sinds 2019/’20 te stagneren in de latere onderwijs-fasen, met een sterkere afname dan gemiddeld in het slagingspercentage en het aandeel dat het onderwijs verlaat met een startkwalificatie.

Herkomst Indonesisch

Binnen de vijf grote Buiten-Europese herkomstgroepen vormt de Indonesische een uitzondering. Zowel migranten als de tweede generatie van Indonesische herkomst nemen een bovengemiddelde positie op de woningmarkt in, hebben een boven-gemiddeld inkomen en zijn relatief hoog opgeleid. Ook ervaren zij hun gezondheid vaker als goed en is hun beroep op de zorg relatief beperkt.

Herkomst Vluchtelingenland

Migranten uit vluchtelingenlanden (Syrië, Irak, Afghanistan, Iran, Somalië, Eritrea) nemen op vrijwel alle sociaaleconomische domeinen de minst gunstige positie in. Ze

  • wonen het kleinst,
  • hebben zelden een koopwoning,
  • zijn vaak uitkeringsafhankelijk en
  • hebben de laagste inkomens.

In het onderwijs vormen leerlingen van Iraanse en Afghaanse herkomst een uitzondering. Zij volgen vaker dan gemiddeld havo of vwo, en hebben relatief vaak een hbo- of wo-diploma.

Misdaad verdachten

Het percentage verdachten van een misdrijf neemt al jaren af, maar de mate van oververtegenwoordiging van verdachten met een buitenlandse herkomst blijft stabiel. Mannen van de tweede generatie van Marokkaanse, Nederlands-Caribische en Surinaamse herkomst zijn relatief vaak verdachte.

Sinds 2005 is het percentage geregistreerde verdachten van misdrijven gedaald. Vooral migranten en mensen van de tweede generatie worden nu minder vaak van een misdrijf verdacht dan voorheen. Wel ligt het percentage verdachten in die groepen nog boven het gemiddelde. Mannen van de tweede generatie van Marokkaanse, Surinaamse of Nederlands-Caribische herkomst worden relatief vaak verdacht, mensen van Indonesische herkomst relatief weinig.

Misdaad slachtoffers

In 2023 is het aandeel mensen dat slachtoffer werd van een misdrijf en dat zich onveilig voelt licht gestegen, na een lange periode van daling. De verschillen tussen de herkomstgroepen zijn stabiel. Mensen van buitenlandse herkomst zijn vaker slachtoffer van criminaliteit dan gemiddeld. Migranten van Indonesische herkomst vormen daarop een uitzondering en zijn juist minder vaak slachtoffer.

Instroom bij Centrale Opvang Asielzoekers

Actuele ontwikkelingen over de nieuwe instroom van asielzoekers bij het COA en de periode van het verblijf in COA-opvanglocaties:

  • Hoge jaarlijkse instroom COA-opvang sinds 2021 – Na een tijdelijke daling in 2020 is het totale aantal asielzoekers dat in 2021 tot en met 2023 in COA instroomde hoger dan het aantal in de jaren voor 2020, met uitzondering van 2015. Het aantal asielzoekers dat in 2023 in een COA-opvang instroomde (50.000, inclusief nareizigers) was het hoogst sinds de piek van 2015 (54.000). In de eerste helft van 2024 stroomden er 24.000 asielzoekers in een COA opvang in, 4.000 meer dan in de eerste helft van 2023.
  • Meer asielzoekers uit Irak – Sinds 2018 staat Turkije in de top vijf van aantallen nationaliteiten van ingestroomde asielzoekers in COA-opvang, en Jemen sinds 2020 ook. In 2021 is de grootste groep na de Syriërs niet langer Eritreeërs maar Afghanen. In 2022 en 2023 zijn Turken en in de eerste helft van 2024 Irakezen de tweede grootste groep na de Syriërs.
  • Aandeel jonge mannen relatief groot – Ruim driekwart van alle asielzoekers is jonger dan 35 jaar op het moment van aankomst in Nederland, ongeveer de helft is jonger dan 25 jaar. Met 66 procent blijft het aandeel mannen in de eerste helft van 2024 hoog. Het gaat, net als in eerdere jaren, vooral om mannen tussen de 15 en 35 jaar.
  • Aandeel mannen uit Syrië weer gestegen – Sinds 2020 bedraagt het aandeel (jonge) mannen onder de Syrische asielzoekers ongeveer twee derde. Dit beeld lijkt op het beeld uit 2014 en 2015. Vooral in 2016 en 2017 is het percentage vrouwen en ook het percentage jonge kinderen wat hoger dan in de voorgaande en de meest recente jaren. Dit komt vooral doordat het aantal nareizigers onder Syriërs in 2016 en 2017 relatief hoog is ten opzichte van de andere jaren. In de eerste helft van 2024 ligt het percentage mannen op 65 procent, waaronder een aanzienlijk deel 15‑tot-20 jarigen.
  • Minder asielzoekers in gezinsverband – In 2023 en de eerste helft van 2024 reisde ongeveer 40 procent van alle asielzoekers die in Nederland asielaanvraag deden in gezinsverband. In 2017 was dit percentage nog 59 procent. Met name onder Eritreeërs nam het percentage dat in gezinsverband naar Nederland kwam af: van 71 procent in 2020 naar 18 procent in de eerste helft van 2024.
  • Aantal verhuizingen in COA-opvang neemt iets af – Asielzoekers verhuizen gemiddeld 2,1 keer binnen COA. Vanaf 2020 stijgt het aantal verhuizingen binnen twee jaar na instroom in COA. Deze stijging in verhuizingen binnen COA komt mogelijk door de toename van tijdelijke noodopvang-­locaties. Asielzoekers die in 2021 en 2022 bij het COA binnenkwamen verhuisden in de eerste drie maanden gemiddeld iets vaker naar een andere opvang-locatie dan mensen uit 2023 en 2024.
  • Merendeel van de asielzoekers na één maand in een reguliere opvang – In de eerste maand na instroom zat 57 procent van de asielzoekers die in 2023 instroomden in het COA in een reguliere opvang. Daarnaast zat 30 procent in een noodopvang en 5 procent in een crisisnoodopvang. Na drie maanden daalde het percentage in de reguliere opvang naar 44 procent terwijl het aandeel in een noodopvang steeg naar 44 procent. Het percentage in de crisisnoodopvang steeg naar 10 procent na drie maanden.
  • Minder asielzoekers met verblijfsvergunning na een jaar in Nederland – Gemiddeld heeft 76 procent van alle asielzoekers die tussen 2014 en 2022 de asielopvang van het COA instroomden na twaalf maanden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij de asielzoekers die in 2022 instroomden, was dit 57 procent. Dit is een daling in vergelijking met vorige jaren (met uitzondering van 2019, waar het aantal vergunningen mogelijk lager was als gevolg van de COVID-pandemie in 2020). Voor de verschillende nationaliteiten verschillen de cijfers sterk: 88 procent van de Syriërs en 87 procent van de Eritreeërs die in 2014 t/m 2022 instroomden hebben na twaalf maanden een verblijfsvergunning. Het laagste percentage was dat bij de Iraniërs met 39 procent.
  • Verschillen tussen nationaliteiten in toewijzen verblijfsvergunning – Bijna alle Syriërs en Eritreeërs van 2014, die nog in Nederland waren, kregen binnen anderhalf jaar na instroom een verblijfsvergunning. Ter vergelijking: ongeveer twee-derde van de asielzoekers uit Irak kreeg een vergunning na dezelfde tijd. Na 108 maanden (negen jaar) waren er in totaal nog 140 asielzoekers in de opvang zonder een verblijfsvergunning. Dit betekent niet dat de IND de aanvraag nog in behandeling heeft voor al deze mensen. Na een afwijzing blijven sommigen in de opvang wachten op hun vertrek of wachten op een uitspraak op beroep. Ook kunnen mensen na een afwijzing opnieuw een asiel­aanvraag indienen (tweede of volgende aanvraag), bijvoorbeeld wanneer er iets is veranderd in hun situatie, of omdat er nieuwe informatie is over het land van herkomst.
  • Afghanen uit 2022 weer vaker een eigen adres – Gemiddeld was bijna 44 procent van alle asielzoekers die tussen 2014 en 2022 instroomden in de asielopvang van het COA na twaalf maanden uitgestroomd uit COA en zelfstandig ingeschreven op een adres in een gemeente. In het kort noemen we dit een eigen adres. Eritreeërs en Syriërs hebben het vaakst binnen twaalf maanden een eigen adres, met 66 en 64 procent. Van de Afghanen die in 2022 zijn ingestroomd woonde 61 procent na twaalf maanden op een eigen adres.
  • Meeste asielzoekers vertrokken zelfstandig uit Nederland (met onbekende bestemming) – Van de bijna 27.000 asielzoekers die in 2014 instroomden in de COA-opvang zijn er 5.980 na negen-en-een-half jaar weer vertrokken of hebben tijdelijk geen adres. Dit is ruim een-vijfde van het originele aantal. De meeste asielzoekers die vertrekken doen dit zelfstandig. Een gedeelte van de asielzoekers vertrekt zonder toezicht, ook wel zelfstandig vertrek met onbekende bestemming genoemd, van de instromers uit 2014 zijn dat er 2.075 na negen-en-een-half jaar. Voor een klein deel van de asielzoekers die niet willen vertrekken en geen hulp van de overheid accepteren, gaat de Dienst Terugkeer & Vertrek over tot gedwongen vertrek: uit 2014 waren dit er 360 na negen-en-een-half jaar.
  • Bijna 31 duizend alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) – Sinds 2014 kwamen bijna 31.000 amv’s naar Nederland. Nidos heeft de voogdij over alle amv’s. De meerderheid van de amv’s bestaat uit Syriërs (37 procent) en Eritreeërs (23 procent). Vooral in 2015 was de instroom van amv’s groot (4.510 nieuwe amv’s). In de eerste helft van 2024 zijn er 2.425 nieuwe amv’s naar Nederland gekomen. Twee derde van alle amv’s is 15, 16 of 17 jaar oud, 83 procent bestaat uit jongens. Erg jonge amv’s komen weinig voor: slechts 1 procent is jonger dan vijf jaar.
  • In de eerste helft van 2024 zijn 280 hervestigers ingestroomd – Sinds 2014 zijn 8.000 hervestigers ingestroomd in een COA opvang-locatie. De hoogste instroom van hervestigers in COA was in 2017, toen meer dan 2.000 hervestigers instroomden. De groep hervestigers die instromen in COA bestaat voornamelijk uit personen met een Syrische nationaliteit, namelijk 85 procent.

Inburgering

  • 1 procent van de statushouders uit 2014 zijn nog inburgeringsplichtig met overschrijding – Van de bijna 20.000 personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen was voor 28 procent (nog) geen inburgeringsplicht vastgesteld op 1 oktober 2024. De meeste personen die een verblijfsvergunning asiel ontvangen en tussen de 18 en 65 jaar oud zijn, zijn inburgeringsplichtig onder de Wet inburgering 2013. Van deze groep heeft 61 procent het inburgeringsexamen behaald of een (tijdelijke) vrijstelling. Dit is 98 procent van de groep die inburgeringsplichtig is en dus geen ontheffing heeft en niet is vertrokken of overleden. 1 procent heeft het examen nog niet gehaald en de inburgeringstermijn van drie jaar overschreden en krijgt een boete en minder dan 0,5 procent heeft het examen nog niet gehaald (maar heeft nog wel tijd om dat alsnog te doen).
  • Nationaliteiten verschillen in aandeel dat inburgeringsexamen heeft gehaald  74 procent van de Iraniërs uit 2014 die vallen onder de Wet inburgering 2013 heeft in oktober 2024 het inburgerings­examen behaald of een (tijdelijke) vrijstelling gekregen. Dit aandeel is het laagst bij personen uit Somalië, namelijk 34 procent. Dat dit aandeel laag is komt doordat 32 procent van deze groep een volledige ontheffing heeft.
  • Taalniveau vooral A2, met name bij Eritreeërs – Bij het volgen van een inburgerings­cursus leren statushouders Nederlands begrijpen, spreken en schrijven op tenminste taalniveau A2. Met dit taalniveau kunnen mensen zich in het dagelijkse leven redden. Uit de verschillende jaren haalden de meesten (83 procent of meer) het inburgerings­examen op niveau A2. Personen met Eritrese nationaliteit behaalden het vaakst het inburgeringsexamen op A2 niveau (98 procent).

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *