Madame Curie

Madame Curie

Gezien het aantal vrouwelijke wetenschappers die in mijn berichten al de revue gepasseerd hebben, wordt het toch eindelijk tijd voor Marie Curie. En dan hebben we het over iemand die twee verschillende Nobel prijzen kreeg! Ook de Europese Unie herdenkt haar.

Dat Marie Curie haar scherpe verstand niet van een vreemde had, staat vast. Haar vader gaf wiskunde en natuurkunde op een middelbare school en bekleedde daar een hoge positie, terwijl haar moeder hoofd was van een meisjesschool die was gevestigd in hun eigen huis. Beide ouders waren afkomstig uit verarmde families die behoorden tot de lagere landadel.

De jeugd van Marie Curie

Marie Curie werd op 7 november 1867 geboren in Warschau, in een tijd waarin Polen zwaar gebukt ging onder het tsaristische Rusland. De grootmacht had het land in de loop van de achttiende eeuw stukje bij beetje ingelijfd, tot het in 1795 volledig onder Russische heerschappij stond. Ook het onderwijsstelsel werd door de Russen hervormd. Dat trof haar vader hard: hij verloor zijn baan omdat hij ‘niet Russisch genoeg’ zou zijn. Om het gezinsinkomen aan te vullen, veranderde de familie Skłodowska – zoals hun achternaam luidde – het huis in een pension.

Ze was de jongste van vijf kinderen en was elf toen haar moeder overleed. Haar moeder had al sinds Marie vijf jaar oud was tuberculose en hield afstand uit angst haar kinderen te besmetten. Voor Marie en haar broers en zussen bleef die afstand pijnlijk onbegrijpelijk: een jeugd zonder knuffels of aanrakingen.

Marie Curie gaat studeren

Dat Marie uitzonderlijk begaafd was, stond buiten kijf. Toch mocht ze zich niet inschrijven aan de Universiteit van Warschau, omdat vrouwen niet werden toegelaten. Ze vond een alternatief in de ondergrondse Vliegende Universiteit, waar ze colleges volgde in natuurkunde, scheikunde en fysiologie. Om haar droom om ooit aan een erkende universiteit te studeren levend te houden, nam ze uiteenlopende (zomer)banen.
Met haar oudere zus Bronisława (Bronia) sloot Maria een overeenkomst: Bronia zou naar Parijs  gaan om medicijnen te studeren, terwijl Maria zou werken als lerares. Met haar verdiensten zou zij bijdragen aan het levens-onderhoud van haar zus in Frankrijk. Wanneer Bronia eenmaal arts zou zijn, zou Maria op haar beurt naar Parijs komen en zou haar zuster haar helpen om haar studie te bekostigen.
Van 1886 tot 1889 werkte Maria als gouvernante bij de familie Żorawski waar ze verliefd werd op de oudste zoon Kazimierz Żorawski. De rijke familie voelde niets voor een verbintenis van hun zoon met een meisje zonder geld. Ze verloor haar baan als gouvernante maar vond een andere betrekking bij de familie Fuchs in Sopot, aan de Oostzeekust.

In 1891 kon ze naar Parijs verhuizen om scheikunde, natuurkunde en wiskunde te studeren aan de Sorbonne bij Gabriel Lippmann1 en de wiskundige Paul Appell2. In 1893 behaalde ze haar master in natuurkunde.
Een jaar later ontmoette ze de liefde van haar leven: Pierre Curie. Ze zocht destijds een laboratorium voor onderzoek naar de magnetische eigenschappen van staal, en een landgenoot bracht haar in contact met Curie, hoofd van een vooraanstaande Parijse school. Het bleek een ontmoeting die hun beider levens voorgoed zou veranderen. Ze trouwden op 26 juli 1895 met elkaar (na de promotie van Pierre Curie).

Haar belangrijkste ontdekking en Nobelprijs

In 1897 rondde Marie Curie haar onderzoek naar de magnetisering van gehard staal af. Voor haar promotie begon ze onderzoek te doen naar het door Becquerel3 ontdekte verschijnsel van uraniumstralen. Marie ontdekte later dat deze stralen een eigenschap zijn van de atoomkern en gaf er de naam radioactiviteit aan.
Op 25 juni 1903 verdedigde ze aan de Sorbonne haar proefschrift Recherches sur les Substances Radioactives, het eerste proefschrift in de natuurkunde geschreven door een vrouw. Ze verkreeg haar doctorsgraad met de kwalificatie très honorable. In datzelfde jaar ontvingen Marie en Pierre Curie een deel van de Nobelprijs voor Natuurkunde “voor hun onderzoek naar de stralingsfenomenen ontdekt door Henri Becquerel“. Becquerel kreeg het andere deel van die prijs.
Door de zwakke gezondheidstoestand van Marie konden Marie en Pierre Curie de prijs niet persoonlijk in ontvangst nemen. Pas na de geboorte van Ève konden ze de uitgestelde reis naar Zweden ondernemen om alsnog hun Nobelprijs op te halen. Bij de lofrede kreeg ze van de voorzitter van het Nobelcomité een Bijbeltekst te horen: “Het is niet goed dat de man alleen is. Ik zal iemand maken die bij hem past en die hem kan helpen.“

Hoewel Marie Curie nu bij de meeste academici toch als toonaangevend wetenschapster werd erkend en gewaardeerd, was nog niet iedereen overtuigd van de waarde van haar ontdekkingen. Vooral de eminente fysicus Lord Kelvin4, reeds lang een vriend van Pierre Curie, betwijfelde publiekelijk haar theorie van de radioactiviteit. In een open brief van 9 augustus 1906 aan The London Times schreef hij, ten onrechte, zo zou later blijken, dat radium geen element was maar eerder een verbinding van lood en helium. Geprikkeld door deze kritiek zou Curie met de hulp van haar bevriende collega André-Louis Debierne na jaren naarstig onderzoek er in 1910 toch in slagen om radium als (apart) element in de Tabel van Mendelejev te plaatsen.

Na het toekennen van de Nobelprijs werd Pierre Curie benoemd tot hoofd van het natuurkundig laboratorium van de Sorbonne.
In hun onderzoek ontdekten de Curies dat het mineraal uraniniet radioactieve stoffen bevatte. Ze wisten er twee tot dan toe onbekende elementen uit te isoleren: polonium en radium. Het eerste vernoemde Marie naar haar geboorteland Polen. Het isoleren van radium werd haar grootste prestatie. In 1911 ontving ze er een tweede Nobelprijs voor, dit keer in de scheikunde – en die hoefde ze met niemand te delen, want haar echtgenoot was inmiddels overleden. “Als erkenning voor haar diensten ter bevordering van de scheikunde door de ontdekking van de elementen radium en polonium, door de isolatie van radium en de studie van de aard en samenstelling van dit opmerkelijke element“.
De mensen die eerder uitten dat ze slechts het hulpje van haar man was geweest, verstomden.

Langevin-affaire

Ondanks haar faam werd ze in 1911 bij de verkiezingen voor de Franse Académie des Sciences niet verkozen tot nieuw lid. In een felle campagne voorafgaand aan de verkiezingen hadden conservatieven en katholieken de vrijzinnige Curie afgeschilderd als een losbandige atheïste die door haar Poolse afkomst geen echte Française kon zijn. Ze speculeerden zelfs dat Curie Joods was. In haar plaats werd Édouard Branly, natuurkundige en een pionier in de draadloze telegrafie, gekozen. Pas 50 jaar later werd een student van Curie, Marguerite Perey, gekozen als eerste vrouwelijke lid van de Académie.

In het jaar 1911, het jaar van haar tweede Nobelprijs, bracht Curie een bezoek aan het koudelaboratorium van de Leidse natuurkundige Heike Kamerlingh Onnes5. Het doel van haar bezoek was het effect te bestuderen van lage temperaturen op radioactiviteit. Het radiumpreparaat dat ze hierbij meenam is nog steeds in het bezit van Rijksmuseum Boerhaave. In datzelfde jaar neemt ze samen met de Franse natuurkundige Paul Langevin deel aan de Eerste Solvay Conferentie in Brussel. Haar relatie met de feitelijk gescheiden maar wettelijk nog steeds gehuwde Langevin zorgde voor een groot schandaal in de door de pers opgehitste publieke opinie. Bij haar thuiskomst in Parijs stond een woedende menigte haar op te wachten. Om aan de verbale en fysieke agressie te ontkomen zocht ze samen met haar dochters bescherming bij de bevriende schrijfster Camille Marbo en haar echtgenoot, de wiskundige Émile Borel die haar meteen onderdak boden. Ze sukkelde eens te meer in een depressie en liet zich voortaan weer Skłodowska noemen. In hetzelfde jaar schreef Albert Einstein haar een brief waarin hij zijn verontwaardiging uitte over de manier waarop zij in Frankrijk behandeld werd na het verliezen van de verkiezingen voor de Académie en haar relatie met Paul Langevin.

Dat genialiteit in de familie kan zitten, bewijst de familie Curie. Maries dochter Irène Joliot-Curie ontving in 1935, samen met haar man Frédéric, de Nobelprijs voor de scheikunde – precies dertig jaar na haar ouders. Marie zelf maakte dat succes niet meer mee: ze overleed een jaar eerder.

Marie, Irene en Pierre Curie

Doodsoorzaak van Marie Curie

Jarenlang werken met radium eist vroeg of laat zijn tol. Curie ontwikkelde aplastische anemie – of mogelijk leukemie, daarover verschillen de meningen. Bij die ziekte stopt het beenmerg met het aanmaken van bloedcellen, waardoor het lichaam verzwakt. In 1934 overleed ze op 66-jarige leeftijd aan de gevolgen van jarenlange blootstelling aan radioactieve stoffen.

Hoewel Marie Curie meerdere collega’s in hetzelfde onderzoeksveld zag overlijden aan bloedziekten, wilde ze nooit helemaal toegeven dat het de radium was die haar ziek maakte. Ook haar dochter Irène en haar man Frédéric zouden overlijden aan de gevolgen van radioactieve straling. Marie Curie ligt samen met haar man begraven in het Panthéon in Parijs. In haar tweede vaderland Frankrijk is ze bekend als Marie Curie en ze wordt vaak aangeduid als Madame Curie, wat ook de titel is van haar biografie geschreven door haar dochter Ève.


1 Gabriel Jonas Lippmann (1845–1921) was een Frans natuurkundige en winnaar van de Nobelprijs voor Natuurkunde in 1908. Hij kreeg de prijs voor het produceren van de eerste kleurgevoelige fotografische plaat (Lippmannproces). Lippmann was de promotor van Marie Curie. Hij was zeer van haar onder de indruk en stelde haar voor aan Pierre Curie.

2 Paul Émile Appell (1855-1930) was een Frans wiskundige. Appell koos tijdens de Dreyfusaffaire de kant van Dreyfus, die zoals hijzelf afkomstig was uit de Elzas. Appell was een expert in de commissie tijdens het nieuwe proces van Dreyfus in 1904-1906 dat leidde tot zijn vrijspraak. In de Eerste Wereldoorlog was hij de eerste voorzitter van de hulporganisatie Secours National, die hulp bood aan de slachtoffers van de oorlog.

3 Antoine Henri Becquerel (1852–1908) was een Frans natuurkundige. De SI-eenheid voor radioactiviteit, de becquerel (Bq) is naar hem genoemd. Op 1 maart 1896 ontdekte hij bij toeval radioactiviteit. In 1903 kreeg hij de Nobelprijs voor Natuurkunde  samen met Pierre en Marie Curie “ter erkenning van de buitengewone diensten die hij heeft verricht door zijn ontdekking van spontane radioactiviteit.“

4 William Thomson, eerste Lord Kelvin, (1824–1907) was een Brits natuurkundige en wordt gezien als een van de belangrijkste natuurwetenschappers van de 19e eeuw. Zijn belangrijkste werk lag op het gebied van de wiskundige analyse toegepast op natuurkundige problemen en in de thermodynamica. Thomson (beter bekend als Lord Kelvin, hoewel hij die titel pas in 1892 kreeg) werd bekend onder het grote publiek door zijn rol bij de aanleg van de trans-Atlantische telegraafkabel. Van groot belang waren ook zijn verbeteringen aan het standaardkompas.
William Thomson begon in 1834 op tienjarige leeftijd aan de Universiteit van Glasgow te studeren, in een programma voor hoogbegaafde kinderen. Van 1841 tot 1845 studeerde Thomson aan de Universiteit van Cambridge, waar hij opviel als een briljant student. Hoewel hij actief was in sport, muziek en literatuur, interesseerde exacte wetenschap hem het meest: wiskunde en natuurkunde, vooral elektriciteitsleer. Thomson werkte daarna voor korte tijd onder Henri Victor Regnault in Parijs, maar in 1846 werd hij hoogleraar aan de Universiteit van Glasgow. Hij was toen 22 jaar oud.

5 Heike Kamerlingh Onnes (1853–1926) was een Nederlands natuurkundige, winnaar van de Nobelprijs voor Natuurkunde en hoogleraar aan de Universiteit van Leiden. “Door meten tot weten” was de slagzin van zijn laboratorium.
Deze lijfspreuk introduceerde hij bij zijn inaugurele rede in 1882. Hij gaf daarmee aan welk belang hij hechtte aan experimenteel werk om kennis te vergaren. Zijn onderzoeksgebied was dat van de fysica van de gecondenseerde materie, waarin hij in 1911 het verschijnsel van de supergeleiding ontdekte.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *