De zevenenveertig Ronin

De zevenenveertig Ronin

De wraak van de zevenenveertig Ronin1 (四十七士), alias het Genroku Akō-incident (元禄赤穂事件), is een gebeurtenis in de geschiedenis van Japan, die in de vroege 18e eeuw plaatsvond. De gebeurtenis geldt in Japan als het bekendste voorbeeld van de samoerai-erecode bushidō.

De gebeurtenis hield in dat een groep samoerai de dood van hun daimyo2, die tot seppuku3 was veroordeeld, wilde wreken door de man die hier schuld aan had, Kira Yoshinaka, te verrassen en in zijn kasteel te vermoorden.

Bronnen spreken elkaar op bepaalde punten tegen over hoe alles precies is verlopen, vooral omdat het Tokugawa-shogunaat4 de eerste 75 jaar na het gebeuren nog een strenge censuur op de verspreiding van het verhaal hanteerde. Het verhaal werd voor het eerst opgetekend in zijn bekendste vorm door de japanoloog Isaac Titsingh.

In 1701 (volgens de Westerse kalender) werd de jonge daimyo Asano Takumi-no-Kami Naganori door het shogunaat bevolen om de keizerlijke gezanten te ontvangen op een receptie in Edo. Hij moest hiervoor samenwerken met de daimyo Kamei. Beiden begaven zich eerst naar Kira Kozuke-no-Suke Yoshinaka, een machtige ambtenaar in Edo die hen de hofetiquette moest bijbrengen.
Kira was echter niet te spreken over Asano en beledigde hem regelmatig, terwijl hij Kamei wel op een nette manier behandelde. Op een gegeven moment gingen deze beledigingen zover, dat Asano zich niet langer kon beheersen en zijn zwaard trok. Door snel ingrijpen van de wachters werd voorkomen dat Asano Kira zou doden. Asano werd veroordeeld tot het plegen van seppuku vanwege het aanvallen van een shogunaat-official in diens eigen vertrekken. Kira daarentegen werd niet gestraft, terwijl de wet voorschreef dat beide partijen die betrokken waren bij een gewapend conflict binnen het kasteel Edo gestraft moesten worden.

Asano moest zijn seppuku uitvoeren in de tuin van het landhuis van een andere daimyo, wat als een grote schande gold voor iemand van de status van Asano. Na de dood van Asano werden zijn landerijen en bezittingen in beslag genomen. Veel van de Ronin waren van mening dat Asano een groot onrecht was aangedaan daar Kira niet gestraft was en ze spanden in het geheim samen voor een wraakactie. In de maanden erop bereidden ze zich in het geheim voor om een aanval uit te voeren op het landhuis van Kira. De leider van de samenzwering was Ōishi. Hij hield de schijn op door zich in Kyoto te vestigen en daar regelmatig tavernes en bordelen te bezoeken, zodat het leek alsof hij geen wraak zocht en Kira zich veilig ging voelen. De andere Ronin hielden zich overdag bezig als werklieden en handelaren om ook niet op te vallen.

In 1702 was Ōishi ervan overtuigd dat Kira zich geheel veilig waande en geen aanval meer verwachtte. Hij verliet Kyoto en ontmoette de andere Ronin in Edo. Op 14 december 1702 vielen de Ronin het landhuis van Kira in Edo aan. Gewapend met zwaarden en bogen bestormden ze het landhuis van twee kanten; Ōishi leidde de aanval op de hoofdpoort, terwijl zijn zoon, Ōishi Chikara, de kleinere poort aan de achterkant aanviel. De aanval aan de voorzijde werd afgeslagen, maar Ōishi Chikara en zijn Ronin wisten het huis binnen te dringen. De samoerai van Kira werden verslagen, waarna Kira zelf werd gedood. Hij werd onthoofd met een dolk.

Na hun overwinning brachten de Ronin het hoofd van Kira naar het graf van Asano in de Sengaku-ji tempel. Bij de tempel legden ze het hoofd van Kira en de dolk waarmee hij was omgebracht op het graf van Asano. Het nieuws over het gebeuren verspreidde zich snel. Veel mensen waren vol lof over de trouw van de Ronin aan hun overleden daimyo.

Sengaku-ji tempel

Het Shogunaat veroordeelde de Ronin nadien ter dood vanwege hun daad, maar uit respect voor hun trouw aan Asano, en het feit dat ze de bushidō5 zo nauw volgden, mochten ze eervol seppuku plegen in plaats van als criminelen te worden geëxecuteerd. Op 4 februari 1703 maakten 46 Ronin een eind aan hun leven.
Eentje kreeg van het shogunaat gratie, mogelijk vanwege zijn jonge leeftijd. Alle Ronin liggen eveneens begraven bij de Sengaku-ji.


1 Een Ronin (浪人, rōnin) was een samoerai die geen daimyo of andere meester (meer) diende. Dit kon komen omdat hij door zijn daimyo weggestuurd was, zijn daimyo gestorven of in ongenade gevallen was bij de shogun, of omdat hij zelf verkoos geen meester te dienen. Een samoerai die ronin werd omdat hij werd weggestuurd, leefde meestal afgelegen in de bergen, waar hij bandieten doodde, en probeerde om weer bij zijn meester in de gratie te komen. Soms kwamen meerdere ronin bij elkaar om samen over te gaan tot plunderen.

2 Een Daimyō (大名) is een Japanse krijgsheer behorend tot de samoeraiklasse. Letterlijk betekent daimyō grote naam. Sommige van deze heersers uit de feodale  periode van Japan (12e eeuw tot 19e eeuw), hadden een enorme macht.

3 Seppuku (切腹), ook wel harakiri (腹切り) genoemd, is de traditionele vorm van zelfmoord voor de samoerai in Japan, uitgevoerd door het met een vlijmscherp lang mes opensnijden van de buik en indien mogelijk het vervolgens – zonder een kik te geven – toebrengen van een snee in het hart. Seppuku had tot doel om schande en verlies van eer te voorkomen. Het idee erachter is dat door het opensnijden van de buik het slachtoffer zich volledig bloot geeft. Volgens Japanse traditie zit de ziel van een persoon in diens onderbuik (hara).

De graven van de 47 Ronin

4 Shogun (将軍) is de afkorting van de titel Seii Taishōgun (征夷大将軍). Dit betekent ‘legerleider die de barbaren verslaat‘ en was oorspronkelijk de titel voor een Japans opperbevelhebber. De Tokugawa (徳川) waren een dynastie van shoguns die hun naam gegeven hebben aan het Tokugawa-shogunaat (徳川幕府). Het Tokugawa-shogunaat volgde op de Sengoku-periode. De Tokugawa-familie heerste over Japan van 1600, na de Slag bij Sekigahara, tot de Meiji-restauratie in 1867. De eerste shogun van de dynastie was Tokugawa Ieyasu, de laatste was Tokugawa Yoshinobu. De periode van hun regeren wordt ook de Edoperiode genoemd, omdat de Tokugawa’s bij hun machtsovername de zetel van de politieke macht verplaatsten van Kioto, waar de keizer verbleef, naar het toenmalige Edo, dat nadien Tokio zou worden genoemd wat “hoofdstad in het oosten” betekent.

5 Bushido (武士道, weg van de krijger) was de erecode van de samoerai. Bushido was een strikte code die loyaliteit, trouw en eer tot de dood eiste. Als een samoerai zijn eer niet kon handhaven, kon hij deze terugverdienen door ritueel zelfmoord  (seppuku) te plegen. Een van de beroemdste voorbeelden van de bushido-erecode is de geschiedenis van de Zevenenveertig Ronin.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *