Wilhelm Steinitz 5 / 5

Op de site van Tim Krabbé vond ik een Interview met Steinitz. Dat leek me een aardige afsluiting van mijn artikelen reeks!

Zoals we al in eerdere afleveringen schreven wordt Wilhelm Steinitz als de eerste wereldkampioen gezien. Meestal wordt zijn regeerperiode geacht te zijn begonnen in 1886, toen hij in Londen een match tegen Zukertort won. Het is daarom wel aardig om in een lang interview dat hij in 1896 aan het Nederlandse  Tijdschrift gaf, te lezen dat hij zelf vond dat hij al vanaf 1866 wereld-kampioen was, nadat hij Anderssen in een match had verslagen. “Anderssen was op dat ogenblik sterker dan ik” zegt Steinitz, maar hij had gewonnen, en zo was hij al 20 jaar wereldkampioen vóór hij het, volgens de huidige inzichten, op zijn 50ste, werd. Een grote rol speelde daarbij dat Morphy in 1884 overleden was; dat maakte de weg vrij voor een algemene erkenning van een nieuwe wereldkampioen.

Morphy en Anderssen

Steinitz heeft Morphy éénmaal ontmoet, een jaar voor diens dood, in New Orleans. Morphy had in de ontmoeting toegestemd op voorwaarde dat er niet over schaken zou worden gesproken. Steinitz: “Hij was toen reeds lang in een toestand, waarin ik slechts het diepste medelijden met hem kon hebben. Het blijft toch altijd een treurig gezicht een man, in de kracht van zijn leven, die eens als een schitterende ster aan de schaakhemel verscheen, nu zo totaal gebroken voor zich te zien. Men heeft vaak de dwaasheid gehad Morphy met mij te vergelijken. Maar hoe is dat nu mogelijk? Morphy treedt één jaar op en overwint alles wat hem tegemoet waagt te treden en gaat bewierookt naar zijn vaderland terug, waarna hij niets meer van zich laat horen.
Opmerkelijk is dat Steinitz desondanks Anderssen genialer noemt; Morphy is te veel opgehemeld omdat hij zo jong, sympatiek en beleefd was, en hij speelde de openingen slecht.

Interview

Dat grote interview (16 dicht-bedrukte bladzijden) werd gemaakt door een jonge schaker, J. Moquette, ter gelegenheid van een simultaan-toernee die Steinitz door Nederland maakte.

Stel u, waarde lezer, een klein mannetje voor, die geleund op een stok, vriendelijk lachend op mij toekomt en niets wil weten van het verzoek om toch te blijven zitten en zijn gemak te houden, hoewel hij een reis van 8 uur achter de rug heeft. Ieder die hem heeft gezien zal moeten toestemmen dat Steinitz met zijn prettige lach en zijn geestig glinsterende bruine ogen terstond een indruk maakt die ieder voor hem inneemt.

Steinitz maakt inderdaad een sympatieke indruk, ook op de lezer van 104 jaar later, en hij bederft dat niet eens met zijn verhalen over alle ellende die hem in zijn leven getroffen heeft. “Allerlei rampen overvielen mij, maar als ik u dat alles wilde vertellen zou ik om vier uur nog niet uitgepraat zijn.

Hij heeft reumatiek aan beide benen, zijn rechterknie is kapot getrapt door een paard, een zonnesteek doodde hem eens bijna en bracht hem aan de rand van de waanzin, zijn vrouw, dochter en broer stierven, er werd een moord-aanslag op hem gepleegd, twee beroerten verlamden hem half, hij raakte schaakrubrieken kwijt en werd bedrogen door uitgevers.

Steinitz is er trots op beroepsspeler te zijn, maar toch: ‘Stel u eens voor, dat ik niets voor schaken voelde; dat het enig doel waarom ik speelde geld was, dan was ik toch een der beklagenswaardigste mensen die er bestaan. Het schaakspel is zo ver boven elk ander spel verheven dat ik er geen enkel mee durf te vergelijken. Het bezielt zo, dat ik niet geloof dat enig goed speler onder het spel een kwade gedachte kan koesteren.

Niemand zal kunnen beweren dat het de harstochten opwekt omdat het spel te rein, te edel is. Wilt u mij beschouwen als beroepsspeler, goed, ga uw gang, maar vergeet niet dat ik bovenal een kunstenaar ben, die de kunst die hij beoefent, zijn gehele leven door, zoveel mogelijk populair heeft trachten te maken.

Het woord beroepsschaker staat bij velen in een ongunstige reuk, maar waarom? De amateurs nemen toch ook op de grote wedstrijden heel kalm de geldprijzen aan en wie heeft er verder mee te maken of ik brood of koek voor dat geld wil kopen. Anderssen had een heel ander oordeel over de beroepsschakers dan de meeste anderen. Toen ik hem eens vroeg wat hij over dergelijke spelers dacht, was zijn antwoord: “Beroepsschakers zijn de hoogste uiting der kunst”.”

Simultaan

De seances, in Hilversum, Rotterdam, Haarlem, Den Haag en Leiden, werden niet al te druk bezocht, en uit Moquette’s verslag blijkt ook dat Steinitz nogal traag speelde – de simultaan in Rotterdam, met 25 tegenstanders, duurde van half 9 ’s avonds tot 3 uur ’s nachts. In Haarlem en Leiden werden daarom de partijen rond middernacht gearbitreerd.

’t Is een hoogst eigenaardig gezicht die invalide te zien voortstrompelen van bord tot bord. Leunend op zijn linker ellenboog ziet hij de positie nauwkeurig aan en doet daarna zijn zet. Dan ziet hij zijn tegenstander even aan, alsof hij op diens zet wil wachten. De meesten geven hem een teken dat hij door kan gaan, sommigen laten zich verleiden en worden het slachtoffer van hun overijling. Is de positie zeer interessant of de tegenpartij zeer sterk dan duurt Steinitz’ tegenzet langer. Zo nu en dan gaat hij even op een stoel zitten om spuitwater en citroen te drinken en een nieuwe sigaar aan te steken, maar nooit langer dan een minuut. Het is volstrekt geen kwelling voor een der tegenstanders zijn partij te moeten opgeven, want een vriendelijke lach en een kalmerend ‘ah’ stelt een ieder op zijn gemak.