Voorbij de bocht in de weg – Fernando Pessoa

Mijn lief was op deze laatste dag, van de laatste week van het jaar 2021, erg geroerd door dit gedicht van Fernando Pessoa:

Voorbij de bocht in de weg

Voorbij de bocht in de weg
ligt misschien een plas, en misschien een kasteel
En misschien alleen de voorzetting van de weg.
Ik weet het niet en vraag het niet.
Zolang ik op de weg loop en voor de bocht
kijk ik naar de weg slechts voor de bocht,
want ik kan niet anders zien dan de weg voor de bocht.

Ik zou er niets aan hebben naar een andere kant te kijken
en naar dat wat ik niet zie.
Laten we ons houden bij de plaats waar we zijn.
Er is schoonheid genoeg in hier zijn en niet ergens anders.
Als er mensen zijn voorbij de bocht in de weg,
laten die zich dan maar bemoeien met wat er is
voorbij de bocht in de weg.
Die weg is voor hen de weg.

Mochten we daar ooit komen,
dan zien we wel als we daar komen.
Voorlopig weten we alleen dat we daar niet zijn.
Hier is slechts de weg voor de bocht, en voor de bocht
is er de weg zonder enige bocht.

Fernando Pessoa (1888-1935)

Fernando Pessoa was een Portugese dichter, schrijver, literair recensent, vertaler, uitgever en filosoof. Hij wordt beschouwd als een van de meest vooraanstaande literaire figuren van de 20ste eeuw. Hij gaf vorm aan het Europese Modernisme en was tegelijkertijd de grootste dichter in de Portugese taal. Gedurende zijn leven publiceerde hij vier boeken in het Engels en een in het Portugees. Hij stierf echter volledig onbekend, maar liet wel meer dan 25,000 manuscripten en getypte paginas na. De taak om dit te sorteren en verder uit te zoeken was in 2019 nog steeds gaande.

Fernando Pessoa (1888-1935)

Biografie

Zijn vader, Joaquim de Seabra Pessoa, muziekcriticus van de Diario de Noticias, sterft in 1893 (als Fernando 5 jaar is) aan tuberculose. Zijn moeder, Maria Madalena Pinheiro Nogueira Pessoa, afkomstig van een cultureel ontwikkelde familie op de Azoren, hertrouwt in 1895 met commandant Joao Miguel Rosa, benoemd tot Portugese consul in Durban, Zuid-Afrika.

Zo vertrekt Fernando in 1896 met het gezin overzee naar Zuid-Afrika, krijgt hij halfbroertjes en -zusjes en leert er een vreemde taal, Engels, spreken en schrijven. Hij maakt er kennis met het werk van William Shakespeare, John Milton, William Wordsworth, Edgar Allan Poe, Lord Byron, John Keats, Charles Dickens, Thomas Carlyle, terwijl hij zich ook bekwaamt in het Latijn en het, van zijn moeder geleerde, Frans. Al vroeg schrijft hij proza en poëzie in het Engels (met als pseudoniem Alexander Search) en in mindere mate in het Portugees.

Franse symbolisten

Op zeventienjarige leeftijd, in 1905, keert Fernando Pessoa alleen terug naar Lissabon. Hij trekt in bij twee tantes en een krankzinnige grootmoeder, en begint in 1906 aan een literatuurstudie, waar hij na een tijdje de brui aan geeft. Hij stort zich wel op de literatuur, en concentreert zich op de Franse symbolisten (onder wie Charles Baudelaire, Paul Verlaine, Arthur Rimbaud, Jules Laforgue) en de grote Portugese literaire boegbeelden uit de zestiende eeuw (Luís de Camões) en uit de negentiende eeuw (Almeida Garrett, Antero de Quental, Antonio Nobre, Cesario Verde, Guerra Junqueiro, Camilo Pessanha, Eugénio de Castro).

Nadat hij vergeefs een drukkerij heeft proberen te starten (in 1907) wordt hij vanaf 1908 freelance vertaler en handelscorrespondent, voor de rest van zijn leven. In zijn Boek der rusteloosheid staan een aantal verwijzingen naar zijn professioneel leven, naar zijn “baas” en de collega’s. Pessoa is nooit getrouwd geweest en heeft, op een platonische relatie met een secretaresse (Ofélia) na, geen (seksuele) relatie gehad tijdens zijn leven.

Eenzaam en obscuur

Zijn werk (of het nu literair of zakelijk is) is zijn leven. Zijn isolement is afwisselend zijn roeping en zijn lot. “Leven is niet noodzakelijk, scheppen daarentegen wel“. Vooral het literaire werk eist hem op, en vereist, naar eigen zeggen, ‘eenzaamheid‘. Pessoa staat bekend als een “verkillende, lucide, sfynxachtig afwezige man” (Willemsen, 2000).
Hij wilde tijdens zijn leven obscuur blijven, daarna mocht de roem komen. Hij was bang voor onbekende mensen en onbekende plaatsen en kon er niet tegen gefotografeerd te worden.

Alcoholisme

Over zijn alcoholisme is bekend dat iemand hem bezag en uitriep : “Maar meneer Pessoa, u drinkt als een spons!“. Waarop hij repliceerde : “Als een spons? Als een sponzenwinkel, zul je bedoelen. Met het magazijn erbij!“. Toch heeft niemand hem ooit dronken gezien, en was hij steeds hoffelijk. Zijn eenzaamheid verklaarde hij als volgt : “Het is het alleen-zijn van degene die te ver is voorgeraakt op zijn reisgenoten.”
Hij sterft (niet onvrijwillig) op 30 november 1935, aan alcoholvergiftiging (leverkoliek), en zijn laatste gesproken woorden (in het Portugees) luidden: “Geef me mijn bril!” (wat doet denken aan Goethes bede om licht). Zijn legendarische laatste versregel was: “Geef mij nog wat wijn, want het leven is niets“. Zijn laatste geschreven woorden vond men op een vel papier op zijn onafscheidelijke aktetas : “I know not what tomorrow will bring“.

Tijdens zijn leven is, behalve enkele ophefmakende artikelen, alleen Mensagem (‘Boodschap‘, 1934), een dichtbundel, verschenen. Hij publiceert onder meer in het tijdschrift Orpheu, dat hij opricht met Mario de Sa-Carneiro. Pessoa is naar eigen zeggen een “dichter die geanimeerd is door de filosofie“, een denkende dichter. Pas lang na zijn dood, vanaf ongeveer 1950, begint Pessoa in trek te komen met de publicatie van zijn werken bij uitgeverij Atica (in Lissabon), Aguilar (in Rio de Janeiro) en met de eerste vertalingen.

Heteroniemen

Pessoa schreef niet alleen onder zijn eigen naam, maar verzon er nog honderdzevenentwintig andere bij (status telling 2019). Die noemde hij echter geen pseudoniemen maar heteroniemen. Hij vond namelijk dat ieder van zijn “persoonlijkheden” een eigen intellectueel leven leidde. Deze denkbeeldige “personen” hielden er soms impopulaire, zelfs extreme, ideeën op na.
Ook hadden ze ieder een eigen biografie, temperament, filosofie, uiterlijk, schrijfstijl en zelfs handtekening.
Onder hun naam publiceerde Pessoa niet alleen gedichten, maar ook recensies en kritiek op het werk van een van zijn andere “personages”, essays over de stand van zaken in de Portugese literatuur en filosofische overpeinzingen.
De heteroniemen startten ook bewegingen en schreven daarvoor manifesten. Een van hen probeerde zelfs Pessoa’s enige romantische relatie te ondermijnen. Zelf zegt hij:

‘Als je het moe wordt
om steeds op één plek te zijn,
waarom dan niet ook
om maar één mens te zijn?’

Behalve de drie bekendste heteroniemen (Alberto Caeiro, Ricardo Reis en Álvaro de Campos) zijn er nog vele anderen, onder wie Bernardo Soares (de auteur van het Boek der rusteloosheid — in het Portugees Livro do Desassossego) die in meer of mindere mate samenvalt met Pessoa zelf. Want Pessoa was, zoals hij Bernardo Soares laat zeggen, een leeg, levend toneel waarop acteurs rondlopen die allemaal iets opvoeren.
Fingir, ‘veinzen’, ‘doen alsof’ is dan ook het kernwoord van Pessoa’s poëzie. Doen alsof duidt op verstandelijkheid, op (zelf)beheersing: het hoofd heerst over het hart. Zelfs in de onstuimige gemoedsuitbarstingen van Àlvaro de Campos.

In het volgende gedicht benoemt hij het waarom van zijn heteroniemen:

Ik weet niet hoeveel zielen ik heb.

Ik weet niet hoeveel zielen ik heb.
Telkens weer word ik ontbonden.
Het is alsof ik voortdurend wegeb.
Ik heb me nooit gezien of gevonden.
Ik heb alleen de ziel van al dat zijn.
En wie een ziel heeft kan niet stil zijn.
Wie ziet is slechts wat hij ziet,
Wie voelt is zichzelf niet.

Als ik let op wat ik ben en waarneem,
Word ik hen en niet meer mezelf.
Alles wat ik droom of me voorneem
Gaat uit van waar ik het opdelf.
Ik ben mijn eigen toneel,
Ik kijk hoe ik daar speel
En alleen en gespleten rondren,
Ik voel mezelf niet waar ik ben.

Daarom lees ik verstrooid,
Als bladzijden mijn bestaan.
Wat later komt weet ik nooit,
Wat voorbij is laat ik gaan.
In de kantlijn van wat ik lees
Teken ik aan wat bij me oprees.
Ik herlees het en zeg ‘Was ik dat?’
God weet het: Híj schreef op dat blad.

Pessoa maakt in zijn gedichten een duidelijke ontwikkeling door: zijn latere gedichten zijn eenvoudiger van taal, intiemer, alsof Pessoa de lezer deelgenoot maakt van zijn geheimste gedachten. Want elk gedicht gaat alleen maar over Pessoa zelf: het is een gedachte, een mijmering, een droom, geschreven vanuit het ik-perspectief, alsof de dichter in zichzelf praat. Deze gedichten lijken in één keer te zijn opgeschreven, alsof het geen moeite heeft gekost. Toch worden ze daardoor niet gemakkelijker om te begrijpen.

Zoals ik het lieg

Pessoa hield ervan zich te verhullen en raadselachtig te blijven, ook al verwerkte hij persoonlijke herinneringen, uit zijn kindertijd en latere leven, in zijn werk. Het is nooit duidelijk of de dichter iets echt zo bedoelt of dat het een pose is, een doen alsof. Alsof hij een personage in zijn eigen werk is, van wie de identiteit inwisselbaar is:

‘Mijn leven verloopt
zoals ik het lieg.’

En net als het lijkt alsof hij zijn ware ik toont, voegt Pessoa een opmerking toe die alles ontkracht of ontkent wat hij daarvoor gezegd heeft:

‘Niets van wat ik ben zal ik ooit zijn.
Ik droom en in mijn wezen droomt alleen
een droom van wat ooit van mij zal zijn,
maar het is weg nog voor het verscheen’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.