Stoicijnse Filosofie 2/…

Van alle filosofieën, overtuigingen, en geloven zijn er slechts een paar die echt praktisch zijn. Dat wil zeggen: het helpt mensen in de praktijk met hun problemen, en is niet alleen voor de schoolbanken bedoeld.
Wat een praktische filosofie behandelt zijn vragen zoals:

  • Hoe moeten we ons gedragen in moeilijke omstandigheden?
  • Wat is belangrijk in het leven, en wat niet?
  • Wat zorgt voor geluk, en hoe kunnen we ons gelukkig voelen?

Eén van de meest invloedrijke praktische filosofieën is het stoïcisme. Origineel opgericht door Zeno van Citium rond 300 v.Chr., groeide het stoïcisme uit tot een van de belangrijkste filosofische stromingen in het Romeinse rijk.

De stoïcijnen waren een diverse groep: van keizer Marcus Aurelius, de machtigste man op aarde, tot Epictetus, geboren als een slaaf. De andere bekende stoïcijn is Seneca, een rijk en succesvol staatsman die later in zijn leven leraar van keizer Nero werd.

Om meteen maar de grootste misvatting van het stoïcisme weg te nemen: het heeft weinig te maken met stoïcijns zijn. Het stoïcisme gaat niet over het onderdrukken of verschuilen van emoties. Emoties zijn menselijk en het uiten daarvan ook. Wat het stoïcisme wel leert is dat we de baas moeten zijn van onze emoties.

Maar wat kenmerkt het stoïcisme nou? Allereerst, en dit kan niet vaak genoeg gezegd worden, gaat het stoïcisme over de praktijk. Het is geen filosofie voor de professoren; het gaat om de mens in zijn omgeving.

Eigenlijk heeft het stoïcisme maar enkele vaste onderwerpen die steeds weer naar voren komen.

  • Dat de wereld niet te voorspellen is
  • Dat veranderingen altijd dichtbij zijn
  • Dat het leven kort is
  • Dat we weinig invloed hebben op de toekomst
  • Hoe we, in deze omstandigheden, ons het beste kunnen gedragen
  • Hoe we in controle en vastberaden kunnen zijn.

Maar wat bovenal naar voren komt, is dat onze ontevredenheid en ongelukkigheid veelal ontstaat omdat we ons op de verkeerde dingen richten. Dat wil zeggen, we richten ons voornamelijk op ‘externe zaken’ waar we geen invloed op hebben, en niet genoeg op onze ‘interne zaken’ waar we wel invloed op hebben.
Denk hierbij aan dingen zoals onze houding, emoties, en meningen, maar ook het ontwikkelen van de juiste karaktereigenschappen (of deugden).

Wie waren de Stoïcijnen?

Het stoïcisme bestaat grofweg uit twee periodes: de oude Stoa en de jonge Stoa. De oude Stoa is het stoïcisme van het oude Griekenland met filosofen zoals Zeno van Citium, Cleanthes, en Chrysippos. Deze groep kun je zien als de oprichters van het Stoïcisme die wat dogmatischer en minder ‘praktisch’ waren dan de stoïcijnen die nu vooral nog bekend zijn.

De jonge Stoa is over het algemeen wat meer bekend, met name de drie belangrijkste individuen uit deze periode: Seneca, Epictetus, en Marcus Aurelius. De ‘leer’ van deze drie stoïcijnen is in grote lijnen gelijk, maar verschilt onderling wel in de details.
Het bijzondere aan deze drie individuen is dat ze perfect weergeven dat er niet één type filosoof binnen het stoïcisme is, maar dat ze zich bevonden in verschillende lagen van de bevolking. Van slaven, staatsmannen tot de machtigste man uit de oudheid. Het maakt dus niet uit welke positie je hebt in het leven – hoe belangrijk of onbelangrijk je misschien dan ook bent – het stoïcisme is toepasbaar voor iedereen.

Seneca was één van de rijkste personen uit zijn tijd, een bekend redenaar, en leraar en adviseur van keizer Nero. Hij liet zien dat het mogelijk is om midden in het leven te staan, succesvol te zijn, en toch een stoïcijnse insteek te hebben en een goed mens (proberen) te zijn.

Epictetus werd geboren als slaaf en diende zijn meester voor vele jaren. Hij probeerde zijn rol op een zo’n goed mogelijke manier uit te voeren en, als teken van dank, werd hij later vrij gezet. Hierna richtte zijn eigen filosofische school op.

Marcus Aurelius, vaak bestempeld als de keizer-filosoof, was keizer van het Romeinse Rijk en de laatste van de ‘vijf goede keizers’.
De machtigste man op aarde combineert zijn functie met het uitoefenen van een filosofie?
Een praktische filosofie over hoe je jezelf het beste kunt gedragen, wat je aandacht verdient en wat niet. Is dat mogelijk? Marcus Aurelius laat overduidelijk zien dat het antwoord ‘ja’ is.

Ook in de periode na de Griekse en Romeinse tijd werden mensen beïnvloed door de stoïcijnse gedachtegang. Frederik de Grote, Montaigne, George Washington, Erasmus, Adam Smith, en John Stuart Mill werden alle geïnspireerd door het stoïcisme.

Door de eeuwen heen is het stoïcisme dan ook een toevluchtsoort geweest voor leiders, andersdenkenden, en – in het algemeen – mensen die zich in moeilijke situaties bevonden. Hierin blinkt deze praktische filosofie uit.
Je kunt het stoïcisme dan ook zien als een onderdeel in de menselijke gereedschaps-kist. Het biedt houvast, hulp, en (waar nodig) helpt het ons het leven te verdagen. Het is dan ook geen wonder dat de stoïcijnse filosofie over de jaren heen op steeds weer oplevingen heeft gehad.

Wat zijn de belangrijkste lessen van het stoïcisme?

Alles is slechts een waarneming en een interpretatie

Misschien wel dé belangrijkste les van het stoïcisme is dat er niet zoiets bestaat als ‘goed’ of ‘slecht’. Alles in het leven is slechts een waarneming. Deze waarnemingen worden gevormd door een individu, en zullen dus ook verschillen per persoon. Iemand met een andere levensvisie, achtergrond, ideeën, of houding zal dan ook een andere interpretatie van dezelfde waarneming hebben.

De realisatie dat een waarneming gevormd wordt binnenin jezelf kan een enorme opluchting zijn. Als jij namelijk iets waarneemt en concludeert dat het slecht is, kun je met hetzelfde gemak ook bepalen dat het goed is.

Stel je voor dat je op je werk ontslagen wordt. Is dit slecht of goed?
De stoïcijn zal zeggen: ‘geen van beiden’. Wat er gebeurt is neutraal, maar jouw gedachten en houding tegenover deze neutrale gebeurtenis maakt het goed of slecht. Als je ontslagen wordt kun je ervoor kiezen om dit als slecht te bestempelen.
Je kunt er ook voor kiezen om dit als iets goeds te zien. Misschien biedt dit je nu de kans om toch voor jezelf te beginnen, of eindelijk die carrièreswitch te maken.
Dus: niets is uit zichzelf goed of slecht, maar het zijn onze gedachtes en interpretaties die het zo maken.

De stoïcijn zal er dan ook voor kiezen om alles als een mogelijkheid of een kans te zien. Word je ontslagen? Dat is een kans om iets anders toe zoeken.
Is je huwelijk ten einde? Dat is een kans om je leven een tweede start te geven.
Word je ziek? Dat is – in het uiterste geval – een kans om je filosofie en gemoeds-toestand te testen en te verbeteren.

Kortom, het zijn de interpretaties van waarnemingen en gedachtes hierover dat iets goed of slecht maakt. Dus waarom zou je er niet voor kiezen om dingen van een positieve kant te bekijken? Of het als een kans te zien?

Wel of geen controle of invloed

Als waarnemingen en interpretaties de ene kant zijn, dan vormen acties en daden de andere. Een ander belangrijk onderdeel van het stoïcisme is dan ook het onderscheid maken tussen zaken waar je geen controle op hebt, en zaken waar je wel controle op hebt. Dit lijkt simpel, en dat is het eigenlijk ook, maar in de praktijk is het niet altijd even gemakkelijk.

Neem bijvoorbeeld het opkomen van de zon. Hebben we hier invloed op? Kunnen we op een of andere manier de zon eerder laten opkomen, of ervoor zorgen dat de zon niet op komt?
Nee. Over het opkomen van de zon hebben wij geen invloed. Dus waarom zouden we er ons druk om maken?

Een praktisch voorbeeld: ervaar je frustraties in het verkeer? Mensen die je afsnijden, fietsers die niet stoppen voor zebrapaden, voetgangers met een zelfmoordneiging? Kun je deze mensen – voordat ze iets doen – stoppen of tegenhouden?
Realistisch gezien niet. Dus als je een van deze bovenstaande dingen tegenkomt in het verkeer waarom zou je je er druk om maken? Je hebt er namelijk toch geen invloed op.

Idealiter zou het onderscheiden van de zaken waar je wel controle op hebt en waar je geen controle op hebt, ervoor zorgen dat je je focust op de dingen waar je wel invloed op hebt. Dit voorkomt frustratie, en het zorgt ervoor dat je acties en je doelen geïnternaliseerd worden. Dat wil zeggen dat het behalen van deze doelen dan niet aan anderen ligt, maar enkel aan jezelf.

Volgens de stoïcijnen zijn de zaken waar we wel invloed op hebben dingen zoals onze houding, onze reacties, onze gedachten en onze standpunten. Waar we géén invloed op hebben zijn anderen, ons lichaam, onze gezondheid, en alle materiële dingen.

(Sommige stoïcijnen onderscheiden de gebieden van invloed niet in twee, maar in drie:

1) Zaken waar je wel invloed op hebt,
2) Zaken waar je beperkt invloed op hebt – zoals het spelen van een sport, je kunt immers zelf bepalen hoe goed je je best gaat doen.
3) Zaken waar je totaal geen invloed op hebt.)

De stoïcijnen bedoelden hiermee overigens niet dat we passief moeten zijn. Het accepteren van omstandigheden waar je geen invloed op hebt is één ding.
Passief en mak hierop reageren is iets anders. Als er dingen zijn waar we geen invloed op hebben dan moeten we dat we accepteren. Maar dit betekent niet dat we onze plannen niet kunnen aanpassen, dat we niet kunnen veranderen of improviseren.
Als je een wandeling wil gaan maken maar het regent, dan kun je passief op de bank gaan zitten. Je kunt natuurlijk ook een paraplu en regenkleding pakken en alsnog gaan. Of je verandert je plannen, en gaat iets anders (maar dan binnen) doen. Acceptatie van omstandigheden waar je geen invloed op hebt staat niet gelijk aan passief zijn.

Het opdelen van deze gebieden van invloed is trouwens niet iets puur stoïcijns. Viktor Frankl, overlever van de Holocaust, schreef iets gelijkwaardigs.
Tijdens zijn gevangenschap in een concentratiekamp kwam hij tot de ontdekking dat er één ding is wat nooit van een mens afgepakt kan worden. Dat is de beslissing hoe je op je omstandigheden reageert.
Nu is ons dagelijks leven – gelukkig – geen concentratiekamp, maar toch komen we dingen tegen komen waar we boos of gefrustreerd van worden. Bedenk dan ook dat hoewel alles tegen kan zitten, niemand kan bepalen hoe jij op zaken reageert. Dat kan je namelijk alleen zelf. De keuze is dus aan jou: word je boos en gefrustreerd door wat er gebeurt, of sta je vanaf nu met een meer positieve en stoïcijnse blik in het leven?

Kortom, richt je op de zaken waar je wel direct invloed op hebt en stel je onverschillig op voor de rest.

Stoicijnse Filosofie 1/…

In een aantal Engelstalige bijdrage heb ik het al gehad over de filosoof Epictetus, samen met Zeno de grondlegger van de Stoicijnse Filosofie. Hier wil ik nog enkele Nederlandstalige kanttekeningen bij hun werk maken.

Zeno

Zeno

Over de Griekse filosoof Zeno heb ik nog niet veel verteld. Bij deze dan aan de hand van Wikipedia:

Zeno van Citium (Cyprus, ca. 335 v.Chr.- Athene ca. 262 v.Chr.), was de stichter van het stoïcisme, de overheersende filosofische school van het late hellenisme en het Romeinse Rijk.

Citium op Cyprus telde een groot aantal inwoners van Fenicische afkomst, mogelijk was Zeno daar ook onder. Hij studeerde in Athene als leerling van de Cynicus Crates en de platonisten Xenocrates en Polemon. Hij werd ook geïnspireerd door Socrates, omdat deze ook aandacht had voor het concrete. Er is niet zo veel bekend over zijn leven, behalve dat hij met de Cynici een voorkeur voor schokkend gedrag deelde en geen gemakkelijk leermeester was. Zeno hield niet van grote groepen mensen, en gaf de voorkeur aan eenvoud boven rijkdom. Hij stichtte een school, maar kon zijn schulden niet betalen en werd door de Atheners als slaaf verkocht. Een vriend kocht hem vrij.

Zeno wilde een filosofie ontwikkelen, het Stoïcisme, voor de concrete, materiële en lichamelijke mens. Alles gebeurt volgens strikte natuurwetten, toeval bestaat niet.
Het Stoïcisme legde de nadruk op het in alle rust aanvaarden van wat het universum -dat een goddelijk wezen met een eigen wil en ziel is- in petto had.

Het woord stoa, waarvan stoicijns is afgeleid, betekent zuilengang en staat voor de stoa poikilè (beschilderde zuilengang). Dat was een zuilengang aan de noordkant van de Agora van Athene, alwaar Zeno zijn onderwijs gaf.

De stoïsche filosofie presenteert zichzelf als de aangewezen weg om de mens gelukkig te maken. Alles wat gebeurt in de wereld is volgens de Stoa van tevoren onverbiddelijk bepaald, maar de vrijheid en autonomie van de mens zit hem erin dat hij vrij is in zijn oordeel hierop. Dit oordeel is bepalend voor het menselijk geluk. Inzicht in de noodzakelijkheid van alles, inzicht dat dit zo goed is, enerzijds; anderzijds het inzicht dat hetgeen men gewoonlijk als persoonlijke rampen ziet, ons niet echt raakt, als we maar goed onderscheiden wat er echt aan de hand is.

Er zit evenwel ook een moreel aspect aan vast. Een stoïcijn wordt geacht ook zijn sociale plichten te vervullen. Dit wordt gezien als een natuurlijk bestanddeel van het leven in de menselijke gemeenschap. Want ook het leven in overeenstemming met de natuur wordt als doel geformuleerd door de Stoa.

Citaten van Zeno

De natuur heeft ons twee oren gegeven en slechts één tong opdat we meer zouden luisteren dan praten.

Door te zwijgen verneem ik de gebreken van anderen en verberg ik de mijne.

Wanneer men niet durft zeggen wat men meent, eindigt men met niet meer te menen wat men zegt.

Het bewogene beweegt niet op de plaats waar het is, noch op de plaats waar het niet is. De vliegende pijl rust.

Epictetus

Citaten van Epictetus

Ten eerste een aantal treffende en aan hem toegewezen quotes/citaten:

Geef me de moed te accepteren wat niet in mijn vermogen ligt, de kracht om alles te doen wat in mijn vermogen ligt en de wijsheid tussen die twee onderscheid te maken.

Er is slechts één weg naar geluk en dat is op te houden met je zorgen maken over dingen waar je geen invloed op hebt.

Mensen raken niet van streek door de gebeurtenissen, maar door de manier waarop ze tegen die gebeurtenissen aankijken.

Wil niet dat de dingen zich voordoen zoals je wilt, maar beperk je ertoe de dingen te willen zoals ze zich voordoen. Dat is het geheim van het geluk.

Het is het werk van een onopgevoed mens anderen de schuld te geven wanneer hij zelf de oorzaak van het onheil is; zichzelf verwijten maken is het werk van iemand wiens opvoeding een aanvang genomen heeft; wie noch zichzelf, noch een ander iets verwijt, diens opvoeding is voltooid.

Laat er vooral stilte zijn of zeg alleen het noodzakelijke en met weinig woorden.

Verschans u in tevredenheid want dat is een onneembare vesting.

Wat wil het zeggen, wanneer wij iets van ons noemen? Evenveel, als wanneer wij een bed in een herberg van ons noemen.

Linda en Meryl en Kuifje 4/…

De Kuifje albums zijn inmiddels collector items waar fantastische prijzen voor geboden worden. Bijvoorbeeld op de veilingsite Catawiki.

Op die site vond ik het volgende over de albums:

Met een oeuvre van 50 jaar en 24 verhalen, is het moeilijk om te bepalen welk Kuifje album het meest gewild is. Sommigen hebben een controversiële inhoud, anderen zijn ondertekend door de tekenaar Hergé of vertegenwoordigen een bepaalde mijlpaal in de Kuifje geschiedenis. Hoe dan ook, sommige albums zijn heel wat geld waard op de veiling . Het verhaal achter vijf van de meest gewilde Kuifje albums!

De Krab met de Gulden Scharen (originele titel: Le crabe aux pinces d’or, 1941).

Voor velen is Kuifje onlosmakelijk verbonden met Kapitein Haddock (denk je aan Kuifje, dan denk je aan “Duizend bommen en granaten!”) maar het is pas in het 9de album dat Kuifje hem ontmoet aan boord van de “Karaboudjan”. Dit is wat De Krab met de Gulden Scharen zo bijzonder maakt. Het album werd uitgebracht in 1941 toen België werd bezet door nazi-Duitsland, dus was Hergé beperkt tot het schrijven van een verhaal met een neutraal thema. Hij bewaarde zijn politieke gedachten voor “Het Zwarte Goud”, dat hij begon te schrijven toen de oorlog uitbrak, maar pas in 1950 als album uitgaf. Le crabe au pinces d’or was het laatste album dat in zwart-wit werd gepubliceerd. In 1944 werd het opnieuw getekend en gepubliceerd met 62 gekleurde pagina’s waardoor het het meest gezochte album van de 1ste gekleurde versie werd. Kuifje albums die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gepubliceerd, zowel zwart-wit als gekleurd, halen een bedrag tot € 6000 in de Catawiki veilingen.

Kuifje in Tibet (originele titel: Tintin au Tibet, 1960).

Velen beschouwen dit verhaal als een van de beste van Hergé, en het verhaal erachter is ook heel interessant. Tegen het einde van de jaren 1950 kreeg Hergé een zenuwinzinking toen hij scheidde van zijn vrouw om met een andere vrouw te kunnen zijn. Hij ging naar een psychiater vanwege zijn verontrustende nachtmerries gevuld met eindeloze witte visioenen en werd geadviseerd om te stoppen met werken. In plaats daarvan probeerde Hergé te vechten tegen de demonen in zijn hoofd door het verhaal van Kuifje in Tibet te schrijven. Het is geen toeval dat Kuifje bang en eenzaam is in Tibet en veel spoken moet uitdrijven om een nieuw evenwicht te kunnen vinden… Tijdens een persmededeling in 1960 werd er een genummerde pre-run (Tirage de tête) van 100 stuks gesigneerd door Hergé. In 2015 werd het op Catawiki geveild voor € 13.000.

Kuifje in Congo (originele titel: Tintin au Congo, 1931).

Dit is waarschijnlijk het meest controversiële album van Kuifje. Het heeft onder vuur gelegen vanuit Amerika, Groot-Brittannië, Zweden en België vanwege de veronderstelde racistische inhoud; de Congolezen zouden worden neergezet als kinderachtig en primitief. Het is een paar keer aangepast – om de Congolezen dunnere lippen en een kleinere bos kroeshaar te geven – en wordt nu vaak met een waarschuwing erop in winkels verkocht. Het feit dat Kuifje meehelpt om Afrikaans wild af te maken valt tegenwoordig ook niet meer goed in de Westerse wereld. Vandaag is Kuifje in Congo waarschijnlijk meer beroemd om de controversiële inhoud dan om het vermakelijke verhaal en is een gezocht item van verzamelaars geworden. In 2016 bracht een prototype van dit album – vermoedelijk 1 van slechts 7 – met lege tekstballonnen en zonder titel op de cover € 39.000 op in een Catawiki veiling.

De “blanco” Kuifje in Congo / Afrika.

Mannen op de Maan (originele titel: On a marché sur la lune, 1954).

Soms is het niet het verhaal of het verhaal erachter wat een album zo waardevol maakt in online veilingen. Handtekeningen doen het altijd goed, vooral wanneer ze met het verhaal te maken hebben. Zoals met een Franstalig album van Mannen op de Maan dat gesigneerd is door Hergé, Buzz Aldrin, Neil Armstrong en nog meer. Voor dit verhaal, dat 15 jaar voor de eerste bemande maanlanding werd gepubliceerd, deed Hergé zeer uitgebreid onderzoek naar bemande ruimtevaart. Met quotes als “eerste wandelaar op de maan na Kuifje” (Buzz Aldrin) en “langste maanwandeling op die van Kuifje na” (Edgar Mitchell) is het niet zo gek dat het album $132.400 opbracht in een veiling.

Kuifje in het land van de Sovjets (originele titel: Tintin au pays des Sovjets, 1930).

Dit is het verhaal waar de Kuifje gekte mee begon. Voorpublicatie begon in het weekblad Le Petit Vingtième in 1929 en het was een onmiddellijk succes. Tegenwoordig heeft dit album uit 1930 een iconische status. In totaal zijn er 10.000 exemplaren gedrukt (10 series van 1.000) maar niet veel albums hebben het overleefd. De eerste 500 exemplaren zijn genummerd. Een genummerd exemplaar van Kuifje in het land van de Sovjets dat is gesigneerd door Hergé en zijn vrouw als “Tintin and Milou” (Bobbie) is op Catawiki voor € 30.000 geveild.

Thinking

We can go three weeks without food, three days without water, three minutes without oxygen, but we can’t even go for three seconds without thinking.

Spring is here (it is the first of April, 2021)! Spring cleaning time is here as well.

Spring cleaning isn’t just about sorting through things and getting rid of clutter. For me it is also the time of the year to cleanup the mess in my head… and getting rid of a cluttered mind.

In Caroline Leaf’s book “Cleaning up your mental mess” she suggests to do just that in the Five steps of the Neurocycle. She writes: “If our minds are messy, we mess up our lifestyles, and when our lifestyles are messed up, our mental and physical health suffer.
The 5 Steps are a way to harness our thinking power—any task that requires thinking can use a neurocycle, which means everything can use a neurocycle because we are always thinking!

Caroline Leaf

Mind Management

  • Mind-management is a skill that needs to be learned and constantly upgraded as we grow from childhood into adulthood. For every new experience we need a new set of mind-management tools.
  • There’s no secret quick fix or uniform formula to healing and happiness.
  • Feeling guilty because you “failed to think positively enough,” “didn’t have enough faith,” or didn’t reach some “ideal” is damaging to your psyche and your physical body.
  • For the first time in decades, the trend of people living longer, has been reversed due to lifestyle-related diseases. Yes, we are in control of our lifestyle choices, but it doesn’t seem like we are doing a very good job at this!
  • Everything in our society seems to convey the message of “now!” It’s almost as if we’ve entered an era where we have sacrificed the processing of knowledge for the gathering of data.
  • We can’t control the events and circumstances of life but we can learn to control our reactions, which help us deal with and manage the many challenges we face.

The last one could have been a statement Epictetus the Stoic made.

  • The way we use our minds helps us go from just hearing good advice to living a good life.
  • We all have to learn how to catch and edit our thoughts and reactions before they trigger toxic chain reactions and become ingrained neural networks, a.k.a. bad habits.
  • As we think, the brain literally changes in hundreds of thousands of ways, on cellular, molecular, chemical, genetic, and structural levels—the key is that you can direct this process!
  • Any brain, at any age, and no matter what has happened to it, can be made to function at a higher level because of the nature of neuroplasticity.

The 5 Step Neurocycle

Say you’re treated really badly by someone you trust. Now the old you would have immediately sent some nasty texts, perhaps a few good riddance one-liners, and then cried and swore at any living thing that crossed your path. But the new, mind-managed, quantum superhero you instead goes immediately through the different phases of mind-management, the 5 Steps of the Neurocycle:

  1. Gather. Read, listen, and watch what you are thinking and how you are feeling. Remind yourself that this person often uses their actions and words as a cry for help and this is a sign that they’re trying to make sense of what is happening to them, but they don’t know how to correctly verbalize their needs or pain. It can be helpful to remember that often how people treat you is a projection of their own turmoil and state of mind. Embrace and accept the fact that you feel hurt or frustrated; don’t suppress your emotions or feel guilty for them. But recognize that these emotions will pass. They don’t have to define your next actions or thoughts.
  2. Reflect. Ask, answer, discuss this with yourself. Try to find the deeper meaning behind their words and actions. What are they going through? How are they hurting? What’s making them react in this way? Don’t absorb their negative energy and make it part of you or part of your brain. Stop, stand outside of yourself, and choose to objectify the situation.
  3. Write. Journal and organize your thoughts. Put what you’re going through down in your journal or the notes section on your laptop or smartphone, whatever works for you. This will help you organize your thoughts, which will release the emotional sting of your pain—get it out of your body instead of keeping it in. Write what they said and your response, or how you would like to respond.
  4. Recheck. Reanalyze and examine what you have written down. Talk to someone else to get a wider perspective on the situation and your planned response.
  5. Active Reach. Apply what you have learned in some tangible way. Once you’ve calmed down, reach out in love and ask them what you can do. Even if this just means listening to them as they express their emotions.

The foundational principles of the mind-management tool, the Neurocycle, are embracing, processing, and reconceptualizing, and the 5 Steps are your “surgical instruments” for doing so.

  • Step 1 (Gather) involves embracing the toxic thought, habit, or trauma (cutting open with the scalpel).
  • Steps 2 and 3 (Reflect and Write) are the processing steps (performing the surgery).
  • Steps 4 and 5 (Recheck and Active Reach) are the reconceptualizing steps (closing up and healing).

Embracing means acknowledging, facing, accepting, and willingly and mindfully gathering awareness of the emotional and physical warning signals your brain and body send you.

Processing is the “mental autopsy” part of the mental surgery. It entails deep, intentional, and focused thinking, which forces the conscious mind and nonconscious mind to connect.

Reconceptualizing means redesigning the thinking, feeling, and choosing behind the thought by learning from the lessons of the past. When you reconceptualize a thought, you’re examining the information, emotions, and choices that led to that thought. In doing this, you’re looking at what happened or what you were thinking from a new angle, another perspective that makes it manageable, so that you no longer feel crippled by pain—the level of your emotional distress changes.

The Mind

  • Your mind is not your brain, just as you are not your brain.
  • When you think, you will feel, and when you think and feel, you will choose. These three aspects always work together. This is the mind-in-action.
  • A thought itself is the concept, the big idea. Thoughts have memories, like trees have branches. There are three types of memories in a thought: information, emotions, and physical sensations.
  • Thoughts are located in three different places: in your brain, in the cells of your body, and in your mind.
  • During the day you think, feel, and choose to build new thoughts into your mind and brain; at night you think, feel, and choose to sort out the thoughts you have built during the day, which provides the content for dreams.
  • Self-regulation is the overarching catalyst of successful mind-management—and is your brain’s favorite exercise! When we don’t self-regulate, we will suffer mentally and physically.
  • Whatever we think about the most, grows, because we are giving it energy.
  • The mind is divided into the conscious mind (fully aware when you are awake), the nonconscious mind (works 24/7), and the subconscious mind (just-aware level).
  • We don’t need to be held captive to our thoughts; instead, we can “capture” our thoughts.
  • Whatever you experience in your mind, will also be experienced in your brain and body. The toxic energy from toxic thoughts accumulates if it isn’t dealt with, and will eventually explode, affecting the way we think, feel, and choose in a volcanic and uncontrolled way.
  • Dealing with our toxic thoughts and traumas means that all this swirling, chaotic, toxic energy needs to be transferred from the negative thought to the reconceptualized, healthy thought to restore balance and coherence to the mind.

Stoic Philosophy 4/…

The dichotomy of control, that is the first principle in the entire Stoic Philosophy.
We don’t control many of the things we pursue in life—yet we become angry, sad, hurt, scared, or jealous when we don’t get them. In fact, those emotions—those reactions—are about the only thing that we do control.

The dichotomy of control

This is what Epitetus has to say about the dichotomy of control:

The chief task in life is simply this: to identify and separate matters so that I can say clearly to myself which are externals not under my control, and which have to do with the choices I actually control. Where then do I look for good and evil? Not to uncontrollable externals, but within myself to the choices that are my own…

And:

Some things are in our control, while others are not. We control our opinion, choice, desire, aversion, and, in a word, everything of our own doing. We don’t control our body, property, reputation, position, and, in a word, everything not of our own doing.
Even more, the things in our control are by nature free, unhindered, and unobstructed, while those not in our control are weak, slavish, can be hindered, and are not our own.

And also:

We control our reasoned choice and all acts that depend on that moral will. What’s not under our control are the body and any of its parts, our possessions, parents, siblings, children, or country— anything with which we might associate.



And now over to something completely different…

Gender and Sexuality in Stoic philosophy

In 2017 Malin Grahn-Wilder finished her study of gender and sexuality in ancient philosophies, and wrote the book “Gender and Sexuality in Stoic Philosophy“. This sounds like an anachronism, e.g. the concept of “sexuality” first arose in the nineteenth century. And the words “gender” nor “sexuality” have a specific equivalent in Greek or Latin terminology, and the Stoics (as well as other
Ancient thinkers) used a range of notions to refer to similar phenomena.

Malin Grahn-Wilder’s study (2017)

The practice of observing genital and other physical differences between the female and the male and having human beings called “women” and “men” obviously existed before the concept of “gender” was introduced, as did the experiencing of lust and desire, and the performing of acts such as caressing and making love.
Ancient thinkers, including the Stoics, observed not only the existence of these phenomena, but also the power they have in human life, affecting emotions, choices, self-control as well as the goals and conditions of life.
Moreover, Ancient thinkers, in general, gave considerable attention to gender and sexuality as philosophical problems, specifically with regard to how they influence people’s bodies, minds, lives, and happiness.
Interestingly, then, the dichotomy between the “passive” and “active” elements did not receive a gendered interpretation in Stoicism.

Sex and Gender

The Ancient Stoic view comprehends both “sex” and “gender” since they discuss gender as not only natural or biological (in the sense of what many contemporary thinkers understand as “sex”) but importantly as socially and culturally constructed (the modern sense of “gender”). The sources do not reveal how exactly the Stoics understood the relationship between these different aspects of gender, but their general tendency is to emphasize the inborn similarity between men and women, and claim that many gendered features are produced by the surrounding culture.

Male and Female

In Ancient embryological theories, “being a male” and “being a female” are defined sexually in terms of their different functions in procreation. On the other hand, Ancient sexual ethics deals with questions such as whether a good man should prefer the erotic love of boys or of women. Moreover, the very connection between gender and sexuality raises further interesting and more detailed questions, such as
whether sexual ethics are the same for men and women.

Stoic metaphysics considers gender to be insignificant (adiaphoron). On the level of rationality, which for the Stoics is the most essential human feature, there is no difference between men and women.
According to the Stoics, the reproductive capacity is one of the rational capacities of the human soul, which makes gender appear as comparable to the senses. Thus, one’s gender is as irrelevant for human rationality as, say, eye color is for the sight.

Stoic Philosophy 3/…

In the previous posts I looked at my favorite Stoic Philosophers, Epictetus and Marcus Aurelius, it is now time to get into the history of the Stoic Philosophy!

For those of us who live our lives in the real world, there is one branch of philosophy created just for us: Stoicism. It’s a philosophy designed to make us more resilient, happier, more virtuous and more wise–and as a result, better people, better parents and better professionals. 

Misinterpretation of Stoicism

To the average person, this vibrant, action-oriented, and paradigm-shifting way of living has become shorthand for “emotionlessness”. Given the fact that the mere mention of philosophy makes most nervous or bored, “Stoic philosophy” on the surface sounds like the last thing anyone would want to learn about, let alone urgently need in the course of daily life.
It would be hard to find a word that dealt a greater injustice at the hands of the English language than “Stoic”. In its rightful place, Stoicism is a tool in the pursuit of self-mastery, perseverance, and wisdom: something one uses to live a great life, rather than some esoteric field of academic inquiry. Certainly, many of history’s great minds not only understood Stoicism for what it truly is, they sought it out: George Washington, Walt Whitman, Frederick the Great, Eugène Delacroix, Adam Smith, Immanuel Kant, Thomas Jefferson, Matthew Arnold, Ambrose Bierce, Theodore Roosevelt, William Alexander Percy, Ralph Waldo Emerson. Each read, studied, quoted, or admired the Stoics. 

Stoicism

Stoicism is a school of Hellenistic philosophy founded by Zeno of Citium in Athens (circa 334 – circa 262 BC) in the early 3rd century BC. It is a philosophy of personal ethics informed by its system of logic and its views on the natural world. According to its teachings, as social beings, the path to eudaimonia (happiness, or blessedness) is found in accepting the moment as it presents itself, by not allowing oneself to be controlled by the desire for pleasure or by the fear of pain, by using one’s mind to understand the world and to do one’s part in nature’s plan, and by working together and treating others fairly and justly.

Zeno, the first Stoic Philosopher

Origin

The name “Stoicism” derives from the Stoa Poikile or “painted porch“, a colonnade decorated with mythic and historical battle scenes, on the north side of the Agora in Athens. Erected in the 5th century BC—the ruins of it are visible still, some 2,500 years later—the painted porch is where Zeno and his disciples gathered for discussion. While his followers were originally called Zenonians, it is the ultimate credit to Zeno’s humility that the philosophical school he founded, unlike nearly every school and religion before or since, didn’t ultimately carry his name.

Zeno’s introduction to philosophy

According to one ancient source, Zeno was travelling on a business trip for his merchant father when the boat he was on was shipwrecked. According to the story, Zeno was washed up on the coast near Athens and as he made his way into the city he stopped to browse at a bookstall. There he started reading Xenophon’s Memorabilia of Socrates and was so impressed by the figure of Socrates that he asked the bookseller if men like him could still be found in Athens. At that moment the Cynic philosopher Crates walked by and the bookseller said ‘follow that man’. So began Zeno’s introduction to philosophy.

Zeno decided against becoming a Cynic himself and looked to other philosophers in
Athens for further instruction. Zeno next studied with Stilpo of Megara, perhaps for as long as ten years. Stilpo was, like Zeno, inclined towards Cynic ethics but, as a
member of the Megarian school, also had strong interests in logic, something that would later become an important part of Stoic philosophy.

The ancient biography of Stilpo records numerous arguments with Zeno’s previous teacher Crates, and one passage describes Crates trying forcibly to remove Zeno from Stilpo in an attempt to return him to the Cynics. We are also told that Zeno spent time in the Academy, listening to the lectures of both Xenocrates and Polemo (on whom more later). It has been suggested that Zeno’s own pantheistic conception of Nature was influenced by Polemo and in particular by his interpretation of Plato’s
Timaeus. It was out of this mix of influences—Cynic ethics, Megarian logic, and Platonic physics—that Zeno slowly forged his own distinctive philosophical position.

Teachings

The Stoics are especially known for teaching that “virtue is the only good” for human beings, and those external things—such as health, wealth, and pleasure—are not good or bad in themselves (adiaphora), but have value as “material for virtue to act upon.”
Alongside Aristotelian ethics, the Stoic tradition forms one of the major founding approaches to virtue ethics. The Stoics also held that certain destructive emotions resulted from errors of judgment, and they believed people should aim to maintain a will (called prohairesis) that is “in accordance with nature.
Because of this, the Stoics thought the best indication of an individual’s philosophy was not what a person said but how a person behaved. To live a good life, one had to understand the rules of the natural order since they thought everything was rooted in nature.

Stoicism teaches the development of self-control and fortitude as a means of overcoming destructive emotions; the philosophy holds that becoming a clear and unbiased thinker allows one to understand the universal reason (logos).
Stoicism’s primary aspect involves improving the individual’s ethical and moral well-being: “Virtue consists in a will that is in agreement with Nature“. This principle also applies to the realm of interpersonal relationships; “to be free from anger, envy, and jealousy” and to accept even slaves as “equals of other men, because all men alike are products of nature“.

Many Stoics—such as Seneca and Epictetus—emphasized that because “virtue is sufficient for happiness“, a sage (is someone who has attained wisdom and is a ‘good person‘) would be emotionally resilient to misfortune. This belief is similar to the meaning of the phrase “stoic calm“, though the phrase does not include the “radical ethical” Stoic views that only a sage can be considered truly free and that all moral corruptions are equally vicious.

Seneca (circa 4 BC – AD 65)

Seneca’s stoic consolations

Seneca was charged with adultery with Julia Livilla, sister of Emperor Caligula in 41 AD. He was shortly after exiled to Corsica where he wrote three “consolations”.

De Consolatione ad Marciam is a work by Seneca written around 40 AD. Seneca was most likely motivated to write this letter of consolation to Marcia in order to gain her favor; Marcia was the daughter of a prominent historian, Aulus Cremutius Cordus, and her family’s enormous wealth and influence most likely inspired Seneca to write this letter of consolation. Through the essay he sticks to philosophical abstractions concerning Stoic precepts of life and death. For a letter offering solace, he notably lacks empathy toward Marcia’s individual grief and loss.
Marcia actively mourned the death of her son Metilius for over three years. In De Consolatione ad Marciam, Seneca attempts to convince her that the fate of her son, while tragic, should not have been a surprise. She knew many other mothers who had lost their sons; why should she expect her own son to survive her?
The acknowledgement, even expectation, of the worst of all possible outcomes is a tenet of Seneca’s Stoic philosophy. While Seneca sympathised with Marcia, he reminded her that “we are born into a world of things which are all destined to die“, and that if she could accept that no one is guaranteed a just life (that is, one in which sons always outlive their mothers), she could finally end her mourning and live the rest of her life in peace.

In the De Consolatione ad Helviam Matrim (dated roughly 42/43 AD) Seneca consoles his mother: he does not feel grief, therefore she should not mourn his absence. He refers to his exile merely as a ‘change of place’ and reassures her his exile did not bring him feelings of disgrace. Seneca comments on his mother’s strong character as a virtue that will allow her to bear his absence.
Seneca’s seemingly positive outlook on his own exile follows his Stoic philosophy teachings that one should not be upset by uncontrollable events. This quote from De Consolatione ad Helviam, shows Seneca’s presentation of his life as tolerable, and even spiritually enjoyable.

I am joyous and cheerful, as if under the best of circumstances. And indeed, now they are the best, since my spirit, devoid of all other preoccupations, has room for its own activities, and either delights in easier studies or rises up eager for the truth, to the consideration of its own nature as well as that of the universe…

Seneca wrote De Consolatione ad Polybium approximately 43/44 AD. This Consolatio addresses Polybius, Emperor Claudius’ Literary Secretary, to console him on the death of his brother. The essay contains Seneca’s Stoic philosophy, with particular attention to the inescapable reality of death.
Although the essay is about a very personal matter, the essay itself doesn’t seem particularly empathetic to Polybius’ unique case, but rather a broader essay on grief and bereavement. In fact, the reader doesn’t ever find out the name of Polybius’ deceased brother. Seneca encourages Polybius to distract himself from grief with his busy work schedule. The tonal switch from consoling Polybius to flattery of Emperor Claudius occurs in chapter 12. Some say this tonal switch indicates the involvement of an other author; however, it is most widely accepted that this tonal switch was nothing more than Seneca’s desperate attempt to escape exile and return from Corsica.

the inhabited world… in huge conflagration it will burn and scorch and burn all mortal things… stars will clash with stars and all the fiery matter of the world… will blaze up in a common conflagration. Then the souls of the Blessed, who have partaken of immortality, when it will seem best for god to create the universe anew… will be changed again into our former elements. Happy, Marcia, is your son who knows these mysteries!

Seneca contrasted two models of maternal grieving: that of Octavia Minor, sister of Augustus, who, on losing her only son Marcellus in his twenties, “set no bounds to her tears and moans“; with that of Livia, wife of Augustus, who on losing her son Drususas soon as she had placed him in the tomb, along with her son she laid away her sorrow, and grieved no more than was respectful to Caesar or fair Tiberius, seeing that they were alive“.

Ethics

Ancient stoics are often misunderstood because the terms they used pertained to different concepts than today. The word “stoic” has since come to mean “unemotional” or indifferent to pain because Stoic ethics taught freedom from “passion” by following “reason“. The Stoics did not seek to extinguish emotions; rather, they sought to transform them by a resolute “askēsis” (is “exercise, training”; a lifestyle characterized by abstinence from sensual pleasures, that enables a person to develop clear judgment and inner calm). Logic, reflection, and focus were the methods of such self-discipline, temperance is split into self-control, discipline, and modesty.

Free from suffering

Borrowing from the Cynics, the foundation of Stoic ethics is that good lies in the state of the soul itself; in wisdom and self-control. Stoic ethics stressed the rule: “Follow where reason leads“. One must therefore strive to be free of the passions, bearing in mind that the ancient meaning of “passion” was “anguish” or “suffering“, that is, “passively” reacting to external events, which is somewhat different from the modern use of the word. A distinction was made between pathos (plural pathe) which is normally translated as passion, propathos or instinctive reaction (e.g., turning pale and trembling when confronted by physical danger) and eupathos, which is the mark of the Stoic sage (sophos). The eupatheia are feelings that result from the correct judgment in the same way that passions result from incorrect judgment.

The idea was to be free of suffering through apatheia (literally, “without passion“) or peace of mind, where peace of mind was understood in the ancient sense—being objective or having “clear judgment” and the maintenance of equanimity in the face of life’s highs and lows.

For the Stoics, reason meant using logic and understanding the processes of nature—the logos or universal reason, inherent in all things. According to reason and virtue, living according to reason and virtue is to live in harmony with the divine order of the universe, in recognition of the common reason and essential value of all people.

Virtues

The four cardinal virtues (aretai) of Stoic philosophy is a classification derived from the teachings of Plato (Republic IV. 426–435):

  • Courage
  • Temperance
  • Justice
  • Wisdom

They are the most essential values in Stoic philosophy. “If, at some point in your life,” Marcus Aurelius wrote, “you should come across anything better than justice, truth, self-control, courage—it must be an extraordinary thing indeed.” That was almost twenty centuries ago. We have discovered a lot of things since then—automobiles, the internet, cures for diseases that were previously a death sentence—but have we found anything better?

  • …than being brave
  • …than moderation and sobriety
  • …than doing what’s right
  • …than truth and understanding?

No, we have not. It’s unlikely we ever will. Everything we face in life is an opportunity to respond with these four traits:

Courage

About Courage Seneca said that he actually pitied people who have never experienced misfortune. “You have passed through life without an opponent,” he said, “No one can ever know what you are capable of, not even you.”

The world wants to know what category to put you in, which is why it will occasionally send difficult situations your way. Think of these not as inconveniences or even tragedies but as opportunities, as questions to answers. Am I brave? Am I going to face this problem or run away from it? Will I stand up or be rolled over?

Let your actions etch a response into the record—and let them remind you of why courage is the most important thing.

Temperance

Of course, life is not so simple as to say that courage is all the counts. While everyone would admit that courage is essential, we are also all well aware of people whose bravery turns to recklessness and becomes a fault when they begin to endanger themselves and others. 

This is where Aristotle comes in. Aristotle actually used courage as the main example in his famous metaphor of a “Golden Mean”. On one end of the spectrum, he said, there was cowardice—that’s a deficiency of courage. On the other, there was recklessness—too much courage. What was called for, what we required then, was a golden mean. The right amount.

That’s what Temperance or moderation is about: doing nothing in excess. Doing the right thing in the right amount in the right way. Because “We are what we repeatedly do,” Aristotle also said, “therefore excellence is not an act, but a habit”.

As Epictetus would later say, “capability is confirmed and grows in its corresponding actions, walking by walking, and running by running… therefore, if you want to do something, make a habit of it.” So if we want to be happy, if we want to be successful, if we want to be great, we have to develop the capability, we have to develop the day-to-day habits that allow this to ensue.

This is great news. Because it means that impressive results or enormous changes are possible without herculean effort or magic formulas. Small adjustments, good systems, the right processes—that’s what it takes.

Justice

Being brave. Finding the right balance. These are core Stoic virtues, but in their seriousness, they pale in comparison to what the Stoics worshipped most highly: Doing the right thing. 

There is no Stoic virtue more important than justice, because it influences all the others. Marcus Aurelius himself said that justice is “the source of all the other virtues.” Stoics throughout history have pushed and advocated for justice, oftentimes at great personal risk and with great courage, in order to do great things and defend the people and ideas that they loved. 

  • Cato gave his life trying to restore the Roman Republic.
  • And Thrasea and Agrippinus gave theirs resisting the tyranny of Nero.
  • George Washington and Thomas Jefferson formed a new nation—one which would seek, however imperfectly, to fight for democracy and justice—largely inspired by the philosophy of Cato and those other Stoics.
  • Thomas Wentworth Higginson, a translator of Epictetus, led a black regiment of troops in the US Civil War.
  • Beatrice Webb, who helped to found the London School of Economics and who first conceptualized the idea of collective bargaining, regularly re-read Marcus Aurelius.

Countless other activists and politicians have turned to Stoicism to gird them against the difficulty of fighting for ideals that mattered, to guide them towards what was right in a world of so much wrong. A Stoic must deeply believe that an individual can make a difference. Successful activism and political maneuvering require understanding and strategy, as well as realism… and hope. It requires wisdom, acceptance and also a refusal to accept the statue quo. 

It was James Baldwin who most brilliantly captured this tension in Notes of a Native Son:

It began to seem that one would have to hold in mind forever two ideas which seemed to be in opposition. The first idea was acceptance, the acceptance, totally without rancor, of life as it is, and men as they are: in light of this idea it goes without saying that injustice is commonplace. But this did not mean that one could be complacent, for the second idea was of equal power: that one must never, in one’s own life, accept these injustices as commonplace but one must fight them with all one’s strength.

A Stoic sees the world clearly…but also sees clearly what the world can be. And then they are brave, and strategic enough to help bring it into reality. 

Excercise

Philosophy for a Stoic is not just a set of beliefs or ethical claims; it is a way of life involving constant practice and training (or “askēsis“). Stoic philosophical and spiritual practices included logic, Socratic dialogue and self-dialogue, contemplation of death, mortality salience, training attention to remain in the present moment (similar to mindfulness and some forms of Buddhist meditation), and daily reflection on everyday problems and possible solutions e.g. with journaling. Philosophy for a Stoic is an active process of constant practice and self-reminder.

In his Meditations, Marcus Aurelius defines several such practices. For example, in Book II.I:

Say to yourself in the early morning: I shall meet today ungrateful, violent, treacherous, envious, uncharitable men. All of the ignorance of real good and ill…I can neither be harmed by any of them, for no man will involve me in wrong, nor can I be angry with my kinsman or hate him; for we have come into the world to work together…

Stoics were also known for consolatory orations, which were part of the consolatio literary tradition. Three such consolations by Seneca have survived.

Stoics commonly employ ‘The View from Above’, reflecting on society and otherness in guided visualization, aiming to gain a “bigger picture“, to see ourselves in context relevant to others, to see others in the context of the world, to see ourselves in the context of the world to help determine our role and the importance of happenings.

Marcus Aurelius, Meditations, in Book 7.48 writes:

A fine reflection from Plato. One who would converse about human beings should look on all things earthly as though from some point far above, upon herds, armies, and agriculture, marriages and divorces, births and deaths, the clamour of law courts, deserted wastes, alien peoples of every kind, festivals, lamentations, and markets, this intermixture of everything and ordered combination of opposites.”

Rise, decline and revival

Stoicism flourished throughout the Roman and Greek world until the 3rd century AD, and among its adherents was Emperor Marcus Aurelius. It experienced a decline after Christianity became the state religion in the 4th century AD. Since then it has seen revivals, notably in the Renaissance (Neostoicism) and in the contemporary era (modern Stoicism).

Stoic Philosophy 2/…

We already saw, in an earlier post, the relation between the Stoic Philosopher Epictetus and the Roman Emperor Marcus Aurelius. Here, in this post, we turn our attention to Marcus.

Marcus Aurelius

Marcus Aurelius Antoninus (26 April 121 – 17 March 180) was Roman emperor from 161 to 180 and a Stoic philosopher. He was the last of the rulers known as the Five Good Emperors (a term coined some 13 centuries later by Niccolò Machiavelli), and the last emperor of the Pax Romana (27 BC to 180), an age of relative peace and stability for the Roman Empire.

Marcus Aurelius

Marcus was born during the reign of Hadrian to the emperor’s nephew, the praetor Marcus Annius Verus, and the heiress Domitia Calvilla. His father died when he was three, and his mother and grandfather raised Marcus. After Hadrian’s adoptive son, Aelius Caesar, died in 138, the emperor adopted Marcus’ uncle Antoninus Pius as his new heir. In turn, Antoninus adopted Marcus and Lucius, the son of Aelius. Hadrian died that year and Antoninus became emperor. Now heir to the throne, Marcus studied Greek and Latin under tutors such as Herodes Atticus and Marcus Cornelius Fronto. He kept in close correspondence with Fronto for many years afterward. Marcus married Antoninus’ daughter Faustina in 145.

Two Emperors

After Antoninus died in 161, Marcus acceded to the throne alongside his adoptive brother, who took the name Lucius Verus. Although Marcus showed no personal affection for Hadrian (significantly, he does not thank him in the first book of his Meditations), he presumably believed it his duty to enact the man’s succession plans. Thus, although the senate planned to confirm Marcus alone, he refused to take office unless Lucius received equal powers. It was the first time that Rome was ruled by two emperors.

Marcus en Lucius

Military Conflicts

The reign of Marcus Aurelius was marked by military conflict. In the East, the Roman Empire fought successfully with a revitalized Parthian Empire and the rebel Kingdom of Armenia. Marcus defeated the Marcomanni, Quadi, and Sarmatian Iazyges in the Marcomannic Wars; however, these and other Germanic peoples began to represent a troubling reality for the Empire.

Plague

The Antonine Plague broke out in 165 or 166 and devastated the population of the Roman Empire, causing the deaths of five million people. Lucius Verus may have died from the plague in 169.

Unlike some of his predecessors, Marcus chose not to adopt an heir. His children included Lucilla, who married Lucius, and Commodus, whose succession after Marcus has been a subject of debate among both contemporary and modern historians. The Column and Equestrian Statue of Marcus Aurelius still stand in Rome, where they were erected in celebration of his military victories.

Meditations

The Meditations (‘things to one’s self’), the writings of “the philosopher” – as contemporary biographers called Marcus, are a significant source of the modern understanding of ancient Stoic philosophy. They have been praised by fellow writers, philosophers, monarchs, and politicians centuries after his death.

Marcus Aurelius wrote the 12 books of the Meditations in Koine Greek as a source for his own guidance and self-improvement. It is possible that large portions of the work were written at Sirmium, where he spent much time planning military campaigns from 170 to 180. Some of it was written while he was positioned at Aquincum on campaign in Pannonia, because internal notes tell us that the first book was written when he was campaigning against the Quadi on the river Granova (modern-day Hron) and the second book was written at Carnuntum.

It is unlikely that Marcus Aurelius ever intended the writings to be published. The work has no official title, so “Meditations” is one of several titles commonly assigned to the collection. These writings take the form of quotations varying in length from one sentence to long paragraphs.

Meditations’ central theme

A central theme to Meditations is the importance of analyzing one’s judgment of self and others and developing a cosmic perspective:

You have the power to strip away many superfluous troubles located wholly in your judgment, and to possess a large room for yourself embracing in thought the whole cosmos, to consider everlasting time, to think of the rapid change in the parts of each thing, of how short it is from birth until dissolution, and how the void before birth and that after dissolution are equally infinite.

Aurelius advocates finding one’s place in the universe and sees that everything came from nature, and so everything shall return to it in due time. Another strong theme is of maintaining focus and to be without distraction all the while maintaining strong ethical principles such as “Being a good man.”

His Stoic ideas often involve avoiding indulgence in sensory affections, a skill which will free a man from the pains and pleasures of the material world. He claims that the only way a man can be harmed by others is to allow his reaction to overpower him.

First mention

The first direct mention of the work comes from Arethas of Caesarea (c. 860–935), a bishop who was a great collector of manuscripts. Somewhere around 907 he sent a volume of the Meditations to Demetrius, Archbishop of Heracleia, with a letter saying: “I have had for some time an old copy of the Emperor Marcus‘ most profitable book, so old indeed that it is altogether falling to pieces.… This I have had copied and am able to hand down to posterity in its new dress.”

The present day text is based almost entirely upon two manuscripts. One is the Codex Palatinus, also known as the Codex Toxitanus, first published in 1558/9 but now lost. The other manuscript is the Codex Vaticanus 1950 in the Vatican Library.

Reception

Marcus Aurelius has been lauded for his capacity “to write down what was in his heart just as it was, not obscured by any consciousness of the presence of listeners or any striving after effect.”
Gilbert Murray (an outstanding scholar of the language and culture of Ancient Greece) writes: “People fail to understand Marcus, not because of his lack of self-expression, but because it is hard for most men to breathe at that intense height of spiritual life, or, at least, to breathe soberly.

Stoic Philosophy 1/…

Stoic philosophy is at the foundation of the best modern self-help approaches, such as rational emotive therapy, cognitive behavioral therapy, and positive psychology.

In my library are two ancient books that, for me, are the most helpful self-help books of all: The Manual of Epictetus (55-135) and The Meditations of Marcus Aurelius (121-180).

Epictetus and Marcus Aurelius

Epictetus and Marcus Aurelius are pillars of the Stoic school of philosophy.
Stoicism doesn’t mean caring less and repressing emotion or shunning pleasure, but focusing on what is in our power and letting go of everything we can’t control. This is what Marcus said, based on the teachings of Epictetus:

To change your experience, change your opinion. If you’re upset by something outside you, it’s not the thing itself that upsets you, but your opinion of it. And it’s in your power to wipe away that opinion immediately.

Sounds like advice from Albert Ellis, who founded Rational Emotive (Behavior) Therapy (RE(B)T) in 1957. To be honest: Ellis credited Epictetus with providing a foundation for his system of psychotherapy.

The journal entries of Marcus Aurelius are just that: notes to himself. In one of the first entries in Book I he thanks his teacher Rusticus for introducing him to the work of Epictetus. So this philosopher is the first to get our attention. In the next message we will talk about Marcus Aurelius.

Epictetus

Epictetus was a Greek Stoic philosopher. He was born at Hierapolis, Phrygia (present day Pamukkale, Turkey) and spent his youth as a slave in Rome to Epaphroditos, a wealthy freedman and secretary to Nero. Early in life, Epictetus acquired a passion for philosophy and, with the permission of his wealthy owner, he studied Stoic philosophy under Musonius Rufus. Becoming more educated in this way raised his social status. At some point, he became crippled. Origen wrote that this was because his leg had been deliberately broken by his owner. Simplicius, in contrast, wrote that he had simply been lame from childhood. “Lameness is an impediment to the leg,” he would later say, “but not to the will.”

Epictetus obtained his freedom sometime after the death of Nero in AD 68, and he began to teach philosophy in Rome. Around AD 89, when Emperor Domitian banished all philosophers from the city, Epictetus moved to Nicopolis in Epirus, Greece, where he founded a school of philosophy.

Epictetus lived alone, with few possessions. But in his old age, he adopted a friend’s child who otherwise would have been left to die and raised him with the aid of a woman. He died sometime around AD 135.

Arrian

His most famous pupil, Arrian, studied under him as a young man (around AD 108) and claimed to have written his famous Discourses based on the notes he took on Epictetus’s lectures. He wrote 8 books in this matter, but only 4 survived.
Arrian also compiled a popular digest, entitled the Enchiridion, or Manual. In a preface to the Discourses that is addressed to Lucius Gellius, Arrian states that “whatever I heard him (Epictetus) say, I used to write down, word for word, as best I could, endeavouring to preserve it as a memorial, for my own future use, of his way of thinking and the frankness of his speech“.
Arrian argued that his Discourses should be considered comparable to the Socratic literature. Arrian described Epictetus as a powerful speaker who could “induce his listener to feel just what Epictetus wanted him to feel.” Many eminent figures sought conversations with him. Emperor Hadrian was friendly with him, and may have heard him speak at his school in Nicopolis.

Epictetus’ Philosophy

Epictetus taught that philosophy is a way of life and not just a theoretical discipline. To Epictetus, all external events are beyond our control; we should accept whatever happens calmly and dispassionately. However, individuals are responsible for their own actions, which they can examine and control through rigorous self-discipline.
Both the Discourses and the Enchiridion begin by distinguishing between those things in our power (prohairetic things) and those things not in our power (aprohairetic things).

We have no power over external things, and the good that ought to be the object of our earnest pursuit, is to be found only within ourselves.

This is similar to Shakespeare’s “There is nothing either good or bad, but thinking makes it so.” (Hamlet: Act 2, Scene 2), and John Milton’s “The mind is its own place, and in itself can make a heaven of hell, a hell of heaven.”

It has been justly said that, though Epictetus is named a Stoic, and that his principles are Stoical, he is not purely a Stoic. He learned from other teachers as well as the Stoic. He quotes the teaching and example of Socrates (470-390 voor Christus) continually, and the example of Diogenes the Cynic (404-323 voor Christus), both of whom he mentions more frequently than Zeno (490-430 voor Christus), the founder of the Stoic philosophy. He also valued Plato (427-347 voor Christus), who accepted from Socrates many of his principles, and developed and expanded them.

Plato and Socrates

Epictetus strongly opposes the doctrines of Epicurus, of the newer Academics, and of Pyrrho, the great leader of the Sceptical School.

Linda en Meryl en Kuifje 3/…

De razende reporter Kuifje met zijn hond Bobby en (later) zijn vriend kapitein Haddock hebben indertijd, als 8 of 9 jarige, mijn wereldbeeld gevormd.

Net als bij Linda en Meryl heb ik Wikipedia als raamwerk gebruikt en er persoonlijke noten aan toegevoegd.

Kuifje, de start

De strip “De avonturen van Kuifje” door Georges Remie, ofwel Hergé (1907-1983), startte als strip in 1929 in Le Petit Vingtième, de jongerenbijlage van de rooms-katholieke krant Le Vingtième Siècle. De titel van die strip was: “Kuifje in het land van de Sovjets“. Het eerste, Franstalige (“Les Aventures de Tintin, reporter du Petit “Vingtième””), album verscheen in 1930.
Een Nederlandstalige versie van Tintin verscheen in 1940 in een proefnummer van het jeugdblad De Bengel. Het eerste volledige verhaal in het Nederlands – Tintin in Congo – startte in september van dat jaar in de Vlaamse krant Het Laatste Nieuws. In oktober 1943 werd Tintin voor het Nederlandse publiek omgedoopt tot Kuifje – middenin het verhaal De geheimzinnige Ster.

In bijna 100 jaar heeft Kuifje definitief een plaats verworven tussen de groten van de internationale literatuur. In 1999 kenden de lezers van Le Monde het album De blauwe lotus de achttiende plaats toe op de lijst van boeken die bepalend zijn geweest voor de twintigste eeuw. Kuifje bevond zich met Aldous Huxley, Solzjenitsin en Anne Frank in goed gezelschap. De Kuifje-albums blijven in de hele wereld bestsellers: sinds 1929 zijn er al meer dan 250 miljoen exemplaren verkocht in 110 talen. In Frankrijk heeft een op de twee gezinnen minstens één Kuifje-album in huis.

Kuifje, de albums

Nr.Originele Nederlandse titelEerste druk
1Kuifje in het land van de Sovjets1930
2Kuifje in Congo (vanaf 1954 Kuifje in Afrika)1931
3Kuifje in Amerika1932
4De sigaren van de farao1934
5De Blauwe Lotus1936
6Het gebroken oor1937
7De Zwarte Rotsen1938
8De scepter van Ottokar1939
9De krab met de gulden scharen1941
10De geheimzinnige ster1942
11Het geheim van de Eenhoorn1943
12De schat van Scharlaken Rackham1944
13De 7 kristallen bollen1948
14De zonnetempel1949
15Kuifje en het Zwarte Goud1950
16Raket naar de maan1953
17Mannen op de maan1954
18De zaak Zonnebloem1956
19Cokes in voorraad1958
20Kuifje in Tibet1960
21De juwelen van Bianca Castafiore1963
22Vlucht 7141968
23Kuifje en de Picaro’s1976
24Kuifje en de Alfa-kunst1986
Alle albums van de avonturen van Kuifje

Het geheim van de eenhoorn

The Adventures of Tintin: The Secret of the Unicorn (Nederlands: De avonturen van Kuifje: Het geheim van de eenhoorn) is een Amerikaanse animatiefilm geregisseerd door Steven Spielberg. De film is gebaseerd op enkele albums en ging op 22 oktober 2011 in wereldpremière in Brussel. Het is een bewerking van De krab met de gulden scharen, Het geheim van de Eenhoorn en De schat van Scharlaken Rackham. Diverse verhaallijnen uit deze drie verhalen zijn samengevoegd tot een nieuw geheel met een deels eigen plot.

In 1981 vergeleek een filmrecensent de film Raiders of the Lost Ark met de stripverhalen van Kuifje. Spielberg kende Kuifje niet en raakte geïnteresseerd in deze stripfiguur. De secretaresse van Spielberg kocht enkele Franstalige stripverhalen voor de regisseur, die de taal niet begreep maar wel meteen erg was gecharmeerd van de tekeningen. En ook het omgekeerde gebeurde: Hergé werd een liefhebber van Spielbergs films. In 1983 stond er een ontmoeting tussen Spielberg en Hergé op het programma. Spielberg was op dat moment bezig met de opnamen van Indiana Jones and the Temple of Doom. Maar Hergé overleed, waardoor de tekenaar en de regisseur elkaar nooit ontmoet hebben.

Spielberg nam in 1983, na de dood van Hergé, voor het eerst een optie op de rechten van Kuifje. In 2002 deed hij dat voor de tweede keer. Aanvankelijk zou Thomas Sangster de rol van Kuifje op zich nemen, maar na enkele productieperikelen stapte hij op en werd hij uiteindelijk vervangen door Jamie Bell.
Peter Jackson is producent van de film en zal de volgende film regisseren. Steven Spielberg neemt dan de job van producent over van Peter Jackson.

Hoewel het om een 3D-animatiefilm gaat, werd er tijdens de opnamen gebruik gemaakt van echte acteurs. Deze performance capture-techniek is een verbeterde methode van motion capture, die eerder al toegepast werd in films zoals Beowulf (2007) en Avatar (2009). Als resultaat krijgt men, voor het eerst in de geschiedenis van de animatiefilm, zeer realistische menselijke gelaatsuitdrukkingen en nog vlottere bewegingen van de anders karikaturale stripfiguren, zonder afbreuk te doen aan de oorspronkelijke tekeningen uit de gedrukte stripverhalen van Hergé.
Bobbie werd volledig door een computer geanimeerd.

De Alfa-kunst

Tijdens de voorbereidingen van het vierentwintigste Kuifje-album (Kuifje en de Alfa-kunst) overleed Hergé. Van dit verhaal – over de handel in kunstvervalsingen en een mysterieuze sekte – bleven ruwe schetsen, een onaf scenario en enkele pagina’s over. Hiervan verscheen in 1986 een facsimile-uitgave. Verschillende tekenaars hebben het album alsnog voltooid en uitgegeven.
In 1988 verscheen een anonieme editie. Bekender is de versie (1995) van de Canadese tekenaar Yves Rodier. Van zijn interpretatie bestaan verschillende edities; alle pagina’s daarvan zijn te bekijken op internet. Met Studio Hergé heeft Rodier gesproken over een gezamenlijke officiële versie van het album. Omdat Hergé’s weduwe geen toestemming wilde geven is het zover nooit gekomen.

Kuifje, de verwijzingen en thema’s

Hergé verwees in zijn Kuifje-albums vaak naar actuele gebeurtenissen. En dat hielp mij, in de pubertijd, bij de vorming van mijn wereldbeeld.

In De Blauwe Lotus wordt verwezen naar het spoorwegincident bij Moekden in augustus 1931, het bestaan van de Internationale Concessie in Shanghai en het vertrek uit de Volkenbond van Japan in 1933.

Verder zijn de verhalen doorspekt met verwijzingen naar en parodieën op historische gebeurtenissen uit de twintigste eeuw. Zo kan De scepter van Ottokar (1939) bijvoorbeeld gelezen worden als een parodie op de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland. Onder meer de naam van de Bordurische leider, Müsstler, verwijst daar naar: het is een combinatie van Hitler en Mussolini. Met De scepter van Ottokar oefende Hergé vooral onderhuidse kritiek uit op het Duitse rijk in wording.

De geheimzinnige ster (1942) zorgde voor heel wat controverse. Het verscheen in volle oorlogstijd. De oorspronkelijke versie van het verhaal viel vooral op doordat de antagonisten oorspronkelijk onder de Amerikaanse vlag opereerden en geleid werden door een Jood genaamd Blumenstein. Bij een na de oorlog herziene versie van het verhaal werd Amerika vervangen door het fictieve São Rico. Ook de man achter de geldzuchtige operatie krijgt nu de in Hergés oren minder Joods klinkende naam Bohlwinkel (een verwijzing naar het Brusselse bollewinkel, wat “snoepwinkel” betekent). Wat Hergé toen niet wist, is dat ook Bohlwinkel een veel voorkomende Joodse naam is.

In de allereerste versie van Kuifje en het Zwarte Goud werd verwezen naar de oorlogsdreiging in 1939. Toen Hergé dit verhaal na de Tweede Wereldoorlog voltooide, werd de plaats waar het conflict zich afspeelt verplaatst naar het Palestina van die tijd, waar destijds onder de ogen van het Britse mandaatbestuur, Joodse en Palestijnse verzetsgroepen elkaar bestreden. Later zijn er opnieuw aangepaste versies van dit verhaal uitgekomen, waarin alle verwijzingen naar het Joods-Palestijnse conflict zijn verwijderd.

Hergés visie op de ruimtevaart komt tot uiting in een lang verhaal dat de albums Raket naar de maan (1953) en Mannen op de maan (1954) beslaat. Aan de totstandkoming van dit verhaal ging een uitgebreide studie van de modernste wetenschappelijke inzichten vooraf. Het maken van de twee albums nam zes jaar in beslag. De raket waarmee de hoofdpersonen naar de maan reizen is gebaseerd op de door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde V2-raket.

In De zaak Zonnebloem (1956) maakte Hergé een parodie op dictatoriale regimes in het algemeen, en op (de satellietstaten van) de Sovjet-Unie in het bijzonder. Bordurië, het fictieve land (ook in de De scepter van Ottokar) waar het voornoemde verhaal zich voor een deel afspeelt, wordt beheerst door uniformen met een rode schouderband met witte cirkel en zwart embleem in de vorm van een snor.

Het laatste voltooide album in de serie, Kuifje en de Picaro’s, schetst een karikatuur van Zuid-Amerika en zijn kenmerkende revoluties. In dit verhaal weet Kuifje generaal Alcazar ertoe te bewegen geen executies te laten plaatsvinden als hij aan de macht komt. Alcazar laat duidelijk merken dat hij het hier niet mee eens is. Aan het eind geeft zelfs generaal Tapioca (die geëxecuteerd zou moeten worden) toe dat hij dit een belediging van de San-Theodoraanse cultuur vindt.

Hergé

Georges Remi groeide op in Etterbeek, een toen al verstedelijkte gemeente van de Brusselse agglomeratie. Zijn ouders waren de Waal Alexis Remi (1882-1970) en de Vlaamse Élisabeth Dufour (1882-1946). Alexis en zijn tweelingbroer Leon werden geboren als buitenechtelijke zoons van Marie-Barbe Dewigne (1860-1901). Ze trouwde met Philippe Remi (1870-1941), pas twaalf jaar ouder dan de tweeling, die ze legitimeerde. Er werd weleens beweerd dat zij buitenechtelijke zoons waren van koning Leopold II. Een ander gerucht wilde dat ze buitenechtelijke zoons waren van de diplomaat graaf Gaston Errembault de Dudzeele (1847-1929), bij wie Marie-Barbe Dewignie dienstmeid was. Het echtpaar Alexis Remi-Dufour behoorde tot de middenklasse en leefde in een betrekkelijke luxe. In 1912 werd een tweede zoon geboren, Paul Remi. Hergé beweerde dat Kuifje in de beginjaren onbewust op zijn broer Paul gebaseerd was. Kuifje kreeg Pauls kuif, leeftijd (16-17), houdingen, gebaren en karakter. Het beroep van avontuurlijke reporter was geïnspireerd op de Franse journalist Albert Londres.

Hergé ofwel Georges Remie

Georges’ lagereschooltijd viel goeddeels samen met de Eerste Wereldoorlog en de Duitse bezetting van Brussel. Van Duitse soldaten die gelegerd waren in de Etterbeekse kazernes maakte hij, in de kantlijnen van zijn schoolschriftjes, onbeholpen tekeningen. Tekenen leek al vroeg in zijn bloed te zitten. Maar het zou nog tot 1925 duren voor hij zijn eerste echte beeldverhaal publiceerde: een tekstloos stripje over een wielrenner met bandenpech.

Remi was zeventien jaar toen hij zijn pseudoniem Hergé bedacht. Hij gebruikte hiervoor de achterstevoren geschreven initialen van zijn naam Georges Remi: RG als Hergé. Op de lagere school was het voor hem namelijk al normaal om vanaf de eerste klas als Remi Georges te worden aangesproken. Op zijn schoolschriften prijkten eveneens de namen in die volgorde en als hij zelf zijn initialen zette, schreef hij ze neer als R.G. Daaruit ontstond zijn schuilnaam Hergé. Op zijn Frans klinkt dat als erzjee, want de begin-h is in die taal vrijwel niet hoorbaar. In december 1924 publiceerde hij voor het eerst onder dit pseudoniem

Hergé was toen al actief lid van de katholieke scouting waarvoor hij ook talrijke tekeningen maakte, onder andere in Le boy scout. In dat blad en in andere scoutingbladen publiceerde hij vanaf 1926 het stripfeuilleton Totor, P.L. van de Meikevers ook met een duo, bestaande uit een jongeman en een hondje, in de hoofdrol.

In 1927 ging Hergé werken op de abonnementenafdeling van het dagblad Le Vingtième Siècle, de spreekbuis van het francofone, conservatieve, rooms-katholieke en anticommunistische establishment. Hij vond het er dusdanig saai dat hij vervroegd in militaire dienst ging. Nadat hij afzwaaide begon hij in januari 1929 in de donderdagse jeugdbijlage Le Petit Vingtième van de krant Le Vingtième Siècle aan het allereerste avontuur van Kuifje: Les Aventures de Tintin, reporter du Petit “Vingtième”, au pays des Soviets (De avonturen van Kuifje, reporter van de Kleine “Twintigste”, in het land van de Sovjets). Het thema was uitgekozen door zijn mentor Norbert Wallez, onder wiens invloed Hergé in het zog van de Nieuwe Orde kwam. In 1930 begon Hergé aan de strip De guitenstreken van Kwik en Flupke, eveneens in hetzelfde blad.

Tot aan zijn dood in 1983 verschenen 23 albums met de avonturen van Kuifje, zijn hond Bobbie en bijfiguren als kapitein Haddock, professor Zonnebloem en de detectives Jansen en Janssen. Postuum werd het onvoltooide Kuifje en de Alfa-kunst uitgegeven. Hergé tekende de strips in eerste instantie helemaal zelf, maar in 1943 riep hij de hulp in van Edgar P. Jacobs. In 1950 startte hij de fameuze Studios Hergé. Bekende medewerkers als Bob De Moor en Jacques Martin namen hem veel werk uit handen en hielden zich onder andere bezig met het tekenen van achtergronden en het hertekenen van de oude albums. Naast Kuifje werkte Hergé aan andere strips, zoals Leo en Lea, Jo, Suus en Jokko en De guitenstreken van Kwik en Flupke, waarvan van de laatste tot 1955 355 verhalen en een tekenfilmserie verschenen.

In juni 2009 opende in Louvain-la-Neuve het Hergé-museum rond het leven en werk van de striptekenaar. Dit museum kwam er door de inzet van Hergés tweede vrouw en voormalige medewerkster in zijn studio, Fanny Vlamynck.

Hoofdpersonages

Kuifje

Kuifje (in heel veel talen Tintin) is een verslaggever die met zijn hond Bobbie in Brussel woont.
In de Nederlandse uitgaven woont hij in de albums Het gebroken oor, De scepter van Ottokar en Het geheim van de Eenhoorn op nummer 26 van de fictieve Labradorstraat, op 1-hoog. In De scepter van Ottokar heeft hij een hospita: mevrouw Vink.

Kuifje in De Zaak Zonnebloem

Leeftijd, vaardigheden en relaties

Volgens Hergé was Kuifje in het eerste album veertien of vijftien jaar oud en in de laatste uitgave mogelijk negentien. Hij is rechtschapen, slim en vecht tegen onrecht, kan autorijden, vliegtuigen, tanks, een duikboot en een maanraket besturen, kortegolfzenders bedienen en ondanks zijn leeftijd en tengere gestalte kan hij vechten als de beste. Kuifje kan ook overweg met vuurwapens. Kuifje drinkt vrijwel nooit alcohol, dit in tegenstelling tot zijn vriend kapitein Haddock, die alcoholist is. Van Kuifjes familie, zo die al bestaat, is niets bekend. Hij heeft geen romantische partner.

Kleding

In de eerste verhalen verkleedt hij zich vaak, maar uiteindelijk draagt hij vooral een lichtblauwe trui met lange mouwen met daaronder een overhemd met witte, ronde kraag. De kleur blauw was een bedenksel van Hergés assistent Edgar P. Jacobs. Vanaf het eerste verhaal tot en met De juwelen van Bianca Castafiore draagt hij een pofbroek; in de kleurendrukken is die bruin. Toen Hergé het personage Kuifje bedacht, was deze broek in België in de mode. Hergé droeg ze zelf ook. In het in 1976 uitgegeven Kuifje en de Picaro’s draagt Kuifje bruine jeans met strakke pijpen.

Werk

Hoewel Kuifje officieel verslaggever is, is er nooit een reportage van hem te zien. Evenmin brengt hij ooit een bezoek aan zijn werkgever. In de eerste verhalen werd hij nog op pad gestuurd door zijn baas van Le Petit Vingtième, maar in latere albums is hij tijdens zijn avonturen niet meer als journalist aan het werk, behalve dan nog in De geheimzinnige ster, waar hij bij de expeditie naar een meteoriet aanwezig is als officiële en enige vertegenwoordiger van de pers.

Bobbie

Bobbie is de Nederlandstalige naam voor de hond van Kuifje. Milou is de oorspronkelijke, Franse naam. Milou was de troetelnaam van een jeugdliefde van Hergé, Marie-Louise Van Cutsem. In het Duits heet hij Struppi en in het Engels Snowy.

Bobby in Kuifje in Amerika

Voor het eerst

Bobbie werd voor het eerst door Hergé afgebeeld in 1928 in uitgave 7 van dat jaar van het Belgische satirische tijdschrift le Sifflet. Op 30 december 1928, vijf nummers later, wordt hij in de eerste ballonstrip die Hergé ooit publiceerde, afgebeeld met een jongen. De strip sloeg aan en Hergé wordt door zijn baas abbé Norbert Wallez van de Belgische rooms-katholieke en conservatieve krant Le Vingtième Siècle opgedragen met deze twee figuren een vervolgstrip te maken. Op 4 januari 1929 verschijnt de hond voor het eerst als Milou in de krant, in een vooraankondiging van de eerste strip van Kuifje, toen nog alleen Tintin geheten.

Ras en karakter

Bobbie is een draadharige, witte foxterriër. Hij is de trouwe kameraad van Kuifje en komt al in het eerste album, Kuifje in het land van de Sovjets, en zelfs in het eerste plaatje, voor. In de strip-verhalen blijken de gedachten van Bobbie uit tekstballonnen. In een aantal Kuifje-strips heeft Bobbie een belangrijke rol door Kuifje tijdig van vijandige personen te redden (bijvoorbeeld door hem wakker te likken of de vijand aan te vallen). Bobbie is een bijzonder dappere hond, die vaak zonder aarzeling schurken, vele malen groter dan hijzelf, aanvalt. Bobbie heeft echter ook zo zijn karakter-fouten. Net als kapitein Haddock vergrijpt hij zich, als de kans zich voordoet, aan alcohol. Daarnaast is hij bang voor spinnen. Het geweten van Bobbie speelt af en toe op, als Kuifje hem hierop aanspreekt. Bobbie jaagt regelmatig op katten en in Raket naar de maan jaagt hij op muizen. Ook zegt hij regelmatig “Woeha!” als hij schrikt of pijn heeft.

Kapitein Haddock

Kapitein Archibald Haddock is een van de belangrijkste personages in de avonturen van Kuifje. Vanaf De krab met de gulden scharen, het in 1941 gepubliceerde negende album in de reeks, is hij (met natuurlijk Bobbie) de vaste metgezel van Kuifje. Kapitein Haddock is de stereotiepe figuur van de vloekende en aan whisky verslaafde zeebonk.

Kapitein Haddock in Raket naar de Maan


Na De krab met de gulden scharen draait de stripreeks niet meer echt om Kuifje en Bobbie, maar vooral om Kuifje en Haddock. De kapitein heeft vanaf dan de plaats van Bobbie als belangrijkste metgezel overgenomen.

Whisky

In de meeste verhalen is hij een verwoed whiskydrinker. Hij staat ook bekend om zijn afkeer van mineraalwater. In De krab met de gulden scharen drinkt hij whisky van het merk Old Whisky. In De geheimzinnige ster is dat John Haig-whisky en in De schat van Scharlaken Rackham is het Old Scotch Whisky. Hij is echter vooral bekend van het drinken van Loch Lomond-whisky.
Haddock krijgt een steeds betere grip op zijn drankprobleem. Aan het eind van De krab met de gulden scharen geeft hij een radiorede over de gevaren van alcohol voor zeelui en in De geheimzinnige ster is hij benoemd tot (ere)voorzitter van de Liga der Zeevarende Geheel-onthouders.

Karakter

Kapitein Haddock heeft zijn karakter deels te danken aan dat van Hergé, die daarover in een interview zei: “….kapitein Haddock, dat ben ik ook. Als ik boos word, ben ik net zo ridicuul als hij.” Net als Haddock was ook Hergé een liefhebber van whisky. Tegen het eind van zijn leven dronk Hergé minder, maar volgens zijn biograaf Pierre Assouline nog steeds tegen een levercirrose aan.
Kapitein Haddock was een van de favoriete karakters van tekenaar Hergé. Door zijn dagelijkse contacten in de jaren veertig met zijn assistent Edgar P. Jacobs werd in de albums het opvliegende karakter van Haddock getemperd. Ook werden door Jacobs’ invloed accenten gelegd op Haddocks zelfmedelijden en oprechte eerlijkheid.

Naam

De voornaam van de kapitein, Archibald, een naam van Schotse oorsprong, valt alleen (en pas!) in het 23e Kuifje-album Kuifje en de Picaro’s uit 1976.
Haddock staat in het Frans voor “gerookte schelvis“. Dit was een van de favoriete gerechten van Hergé en zijn eerste echtgenote Germaine Kieckens. De tintinoloog Philippe Goddin meent dat de auteur bij zijn keuze voor de naam beïnvloed werd door de film Le Capitaine Craddock uit 1931. Hergé en zijn echtgenote Germaine hadden de film gezien en de muziek was zo goed bevallen, dat ze een 78 toerenplaat met de soundtrack aanschaften. In de film komt het populaire lied Les Gars de la Marine voor. In De krab met de gulden scharen zingt Haddock dat lied.

Krachttermen en scheldwoorden

Zeer kenmerkend voor de kapitein is zijn zeer uitgebreide repertoire aan krachttermen en scheldwoorden, een eigenschap die hij deelt met zijn voorvader François Hadoque. De verwensingen die Haddock uit als hij kwaad is hebben te maken met allerhande zaken, zoals wetenschap, geschiedenis en zijn eigen zeemansberoep. Hij kan een hele reeks krachttermen uiten zonder in herhaling te vallen. Het bekendst en in de albums het meest gebruikt, is de krachtterm duizend bommen en granaten, die al in 1902 voorkomt in het Woordenboek der Nederlandsche Taal, deel 3.

Kasteel Molensloot

In verscheidene avonturen wonen Haddock en professor Zonnebloem in het kasteel van Molensloot, dat Haddock aan het eind van De schat van Scharlaken Rackham gekocht heeft met de opbrengst van Zonnebloems patent op de duikboot, waarmee ze in ditzelfde verhaal naar de schat van een verre voorvader van Haddock zochten, die zich overigens in kasteel Molensloot zelf bleek te bevinden. Het kasteel was vroeger al in het bezit van Haddocks voorvaderen geweest. Kuifje logeert er regelmatig. Hierna beginnen de meeste Kuifje-verhalen op het kasteel Molensloot, waarna de hoofdpersonen afreizen om elders een nieuw avontuur te beleven.

Jansen en Janssen

Jansen en Janssen (in een eerdere vertaling Jansen en Jansens, nog eerder Janssen en Janssens en in het begin Peters en Peeters) zijn de Nederlandstalige namen voor de twee stuntelige detectives (in het Frans Dupont en Dupond, in het Engels Thomson en Thompson en in het Duits Schulze en Schultze).

Jansen en Janssen in De Zwarte Rotsen

Rol

In de eerdere albums waren Jansen en Janssen slechts bijfiguren, maar in de latere albums en ook in de nieuwe versies van de oude albums kregen zij en hun stereo-tiepe gedrag een grotere rol. Ze kwamen voor het eerst ten tonele in het 4e album De sigaren van de farao. Op 29 december 1932 maakten ze hun debuut. Inmiddels zijn ze ook te aanschouwen in het eerste plaatje van het 2e album, Kuifje in Afrika, waarbij ze gadeslaan dat Kuifje naar Afrika vertrekt.
Uiteindelijk duiken ze op in 20 van de 24 Kuifje-albums.

Namen

Hun van 2 februari 1933 daterende oorspronkelijke Franse namen zijn X33 en X33 BIS. Sinds 1938 heten ze in het Frans Dupond en Dupont. In februari 1940 kregen ze voor het eerst Nederlandse namen – Peters en Peeters – in het proefnummer van het weekblad De Bengel, wat de Vlaamse tegenhanger van Le Petit Vingtième had moeten worden. De Duitse inval van België verhinderde een vervolg. In mei 1944 kregen ze de namen Janssen en Janssens.

Het uiterlijk van Jansen en Janssen is gebaseerd op dat van Hergés vader en diens tweelingbroer, die eenzelfde bolhoed droegen. Hoewel niet verwant, lijken ze een eeneiige tweeling. Het onderscheid tussen de twee kan worden gemaakt doordat de puntjes van de snor van Jansen recht naar beneden hangen en die van Janssen naar boven uitwaaieren. Ook in andere talen heeft de eerstgenoemde van de twee een geheel hangende snor (Dupond, Thomson, Schulze etc.). Volgens een Frans ezelsbruggetje wordt Dupond met de d van moustaches droites (rechte snor) geschreven, en Dupont met de t van moustaches troussées (opgekrulde snor).

Slapstick

De detectives zorgen voor veel van de slapstickhumor in de serie. Het duo heeft last van versprekingen en onhandig gedrag. Een running gag is dat ze elkaars woorden herhalen met de toevoeging: Sterker nog…. Overkomt een van hen een ongelukje, dan staat het vast dat de ander spoedig hetzelfde overkomt. Hoewel enorm incompetent, worden ze voortdurend geselecteerd voor gevoelige missies, zoals de bewaking van de maanraket van professor Zonnebloem (in de albums Raket naar de maan en Mannen op de maan).

Vermommen

Om niet op te vallen, vermommen ze zich regelmatig. Maar dat doen ze constant door traditionele kleding te dragen die niet meer in gebruik is. Zo lopen ze rond in een Chinees mandarijnenkostuum in De Blauwe Lotus en dragen ze klassieke Griekse klederdracht in Syldavië.

Professor Zonnebloem

Professor Trifonius Zonnebloem is een van de belangrijkste personages in de avonturen van Kuifje. Zijn oorspronkelijke Franse naam is Tryphon Tournesol, waarvan de Nederlandse naam de vertaling is.
Professor Zonnebloem verscheen voor het eerst op 5 maart 1943 in het verhaal De schat van Scharlaken Rackham. Een dag eerder heeft hij al aangebeld bij kapitein Haddock, maar is dan nog buiten beeld, en op 6 maart 1943 noemt hij zich bij zijn volledige naam.

Uiterlijk en naam

Het uiterlijk van Zonnebloem is gebaseerd op dat van professor Auguste Piccard. Een vooraanstaand Zwitsers geleerde, professor aan de Vrije Universiteit van Brussel (ULB) en dus vertrouwd met de Belgische hoofdstad.
In de Engelstalige uitgaven heet hij Cuthbert Calculus. Hergé werd niet gekend in die naamgeving. Hij had hem liever toebedeeld met de naam Archibald Blunderbuss. De voornaam Archibald zou hij bijna twintig jaar later aan kapitein Haddock geven.

Introductie

In het verhaal De schat van Scharlaken Rackham wordt Zonnebloem geïntroduceerd. Hierin belt hij aan bij kapitein Haddock en probeert hem en Kuifje vergeefs te bewegen zijn uitvinding van een gemotoriseerde eenmansonderzeeër te gebruiken bij het zoeken naar een schat, waarop Zonnebloem als verstekeling meegaat en zijn duikboot gedemonteerd in kisten whisky laat verstoppen. Om genoeg ruimte te maken voor de duikboot blijkt hij de flessen whisky er in de haven eerst uitgehaald te hebben, tot grote woede van Haddock.
In de Franstalige uitgaven werd hij bij zijn introductie in 1943 eerst monsieur genoemd. Pas vijf jaar later veranderde dat in professeur. In de Nederlandse uitgaven begon hij ook als meneer.

Wetenschapper en geleerde

De professor is een geniale geleerde, die echter zeer verstrooid is en hardhorend bovendien, waardoor kolderieke conversaties tussen de professor en zijn gespreks-partners ontstaan. Opmerkelijk is tevens dat deze man van de wetenschap gebruikmaakt van een slinger.

Uitvindingen

Enkele opzienbarende uitvindingen van de professor zijn de gemotoriseerde miniduikboot (De schat van Scharlaken Rackham), de maanraket (Raket naar de Maan) en tabletten waardoor iemand geen alcohol lust (Kuifje en de Picaro’s). Zonnebloem tracht in De juwelen van Bianca Castafiore ook de kleurentelevisie uit te vinden, maar die pogingen zijn geen succes, hoewel hij wel meerdere kleuren op een televisiescherm weet te krijgen. In De zaak Zonnebloem heeft Zonnebloem een machine uitgevonden die geluidsgolven uitzendt die glas kunnen breken en in de toekomst in een verbeterde versie mogelijk gebouwen kunnen laten instorten. Om te voorkomen dat zijn uitvinding voor oorlogsdoeleinden gebruikt wordt, vernietigt hij zijn bevindingen.

Bianca Castafiore

Bianca Castafiore (bijgenaamd: de Milanese nachtegaal) is een beroemde operazangeres en het belangrijkste vrouwelijke personage uit de serie. Castafiore is een stevige, maar niet geprononceerde sopraan van – volgens Hergé – 45 jaar oud.
Zij is deels ontleend aan Mariette Amelinck, een kind van vrienden van Hergés ouders, die hij als kind ontmoet heeft. Haar zang kon hij niet uitstaan.

Bianca Castafiore

Eerste optreden

Zij verschijnt voor het eerst op 5 januari 1939 in de jeugdbijlage Le Petit Vingtième. Zij maakt dan kennis met Kuifje als zij hem een lift geeft in De scepter van Ottokar. Op 19 januari 1939 wordt zij, eveneens in Le Petit Vingtième, voor het eerst bij naam genoemd. Daarna vervult zij bijrollen in De 7 kristallen bollen, De zaak Zonnebloem en Cokes in voorraad. Haar stem is te horen op de radio in Kuifje en het Zwarte Goud, maar ze verschijnt niet in beeld. Ze speelt een hoofdrol in De juwelen van Bianca Castafiore en in Kuifje en de Picaro’s. Tevens komt ze voor in het onvoltooide Kuifje en de Alfa-kunst. Zij is de enige vrouw die op de voorkant van een Kuifje-album wordt afgebeeld.

Favoriete aria

De favoriete aria van Bianca Castafiore is de Juwelenaria uit Faust van Charles Gounod, die begint met de woorden: Haa, ik lach bij ’t zien van mijn schoonheid in deez’ spiegel. In de taxi waar Kuifje voor het eerst met haar gezang kennismaakt, let Kuifje op de merknaam op de autoruit en vertrouwt hij erop dat de ruit niet zal breken. Later blijkt dat andere ruiten wel bezwijken aan de hoge tonen in Castafiore’s stem.
Het lied en het kapotspringen van het glaswerk zijn geïnspireerd op de film The phantom of the opera uit 1925, waarin de Juwelenaria voorkomt en een kroonluchter naar beneden komt op het moment dat een dikke operadiva het lied zingt.

Castafiore wordt op haar reizen vergezeld door haar pianist Igor Wagner en haar kamenierster Irma.

Hoewel Castafiore wereldwijd beroemd en gevierd is, kunnen Kuifje, zijn hond Bobbie en met name kapitein Haddock haar gezang niet uitstaan. De kapitein moet haar sowieso niet. Ze is zeer opdringerig en wat verwaand, maar wel aardig. De hardhorende professor Zonnebloem mag de sopraan daarentegen wel en kweekt zelfs een nieuwe witte roos voor haar, die hij Bianca doopt.

Verhaspelen

Ze verhaspelt geregeld namen. Zo noemt ze bijvoorbeeld in De juwelen van Bianca Castafiore professor Zonnebloem professor Donderbloem. Vooral Haddock krijgt het bij haar hard te verduren. Zij verandert zijn naam steevast, bijvoorbeeld in kapitein Karbock of kapitein Kapstok. Hij noemt haar op zijn beurt ‘seniora castorolie’, ‘catastrofe’ en ‘calamiteit’.

Castafiore kreeg een rol in de speelfilm van Steven Spielberg The Adventures of Tintin: The Secret of the Unicorn. Hierin zingt zij tijdens een optreden bij Omar Ben Salaad zo hoog dat het de kogelvrije glasplaat, waarachter het derde scheepsmodel van De Eenhoorn wordt bewaard, laat barsten.

Kasteel Molensloot

Hoewel geen personage is Kasteel Molensloot (originele, Franse naam: château Moulinsart) wel belangrijk in enkele albuns. Het is een fictief kasteel in België, waar Kuifje, kapitein Haddock en professor Zonnebloem verblijven.

Het Franse Moulinsart is afgeleid van Sart-Moulin, een gehucht van de Waals-Brabantse gemeente Eigenbrakel. Het kasteel is een kopie van het middengedeelte van het kasteel van Cheverny in de Franse Loirestreek. Ook een deel van het interieur is van dit gebouw afgeleid.

Kasteel Molensloot

Hergé situeerde het kasteel niet ver van Brussel, op enkele kilometers van het fictieve dorp Molensloot. Het dorp zelf komt nooit in de albums in beeld, wel enkele inwoners en het treinstation (in De zeven kristallen bollen).

Het kasteel van Molensloot behoorde ooit toe aan de voorvaderen van kapitein Haddock. Het komt voor het eerst voor in Het geheim van de Eenhoorn, waar het op dat moment de woonplaats is van de criminele gebroeders Vogel. Aan het eind van het vervolg, De schat van Scharlaken Rackham, koopt Haddock dit kasteel met het geld dat professor Zonnebloem heeft verdiend met het verkopen van het patent op zijn duikbootje en gaat er zelf wonen. Hij houdt daarbij de butler van de gebroeders Vogel, Nestor, in dienst.

Het kasteel is in de latere albums de vaste woonstee van kapitein Haddock en professor Zonnebloem. Later, zeker vanaf De zaak Zonnebloem, lijkt ook Kuifje zelf er te wonen. Het album De juwelen van Bianca Castafiore is in zijn geheel gewijd aan de verwikkelingen die zich op Molensloot voordoen, nadat zich allerlei ongenode gasten in en om het kasteel hebben geïnstalleerd.

Een running gag omtrent Molensloot gaat om het feit dat wanneer men vanuit of naar kasteel Molensloot wil telefoneren, men steevast bij Slagerij Van Kampen – in het originele Franstalige verhaal Boucherie Sanzot – in het dorp terechtkomt, wat altijd tot frustraties leidt bij kapitein Haddock.

Linda en Meryl en Kuifje 2/…

Net als in mijn bericht over Linda Ronstadt, vul ik hier wat Wikipedia over Meryl Streep schrijft aan met mijn eigen wetenswaardigheden.

Meryl Streep

Meryl werd geboren in Summit, in de staat New Jersey als Mary Louise Streep. Ze werd vernoemd naar haar moeder, grootmoeder en haar moeder’s beste vriendin. Het koosnaampje dat haar vader haar gaf is gebleven.

Of zoals Meryl het verwoordde tijdens “The Graham Norton Show”:

At birth, I had to be named Mary because my mother’s name was Mary and her mother’s name was Mary and [so on],” Streep said. “So I was born Mary and Louise was my mother’s best friend. . . Louise Buckman. So I was named after her. But I was always called Meryl. My father made that name up and he liked that name.

Haar familie verhuisde naar Bernardsville in dezelfde staat, waar ze werd ingeschreven op de Bernards High School. Daar was ze zowel cheerleader als homecoming queen (in haar laatste jaar). Na haar middelbare school studeerde ze aan Vassar College voor actrice. Na haar afstuderen in 1971 ging ze met een beurs naar Yale om door te studeren en behaalde daar de titel Master of Fine Arts in 1975.
Ze speelde daar uiteenlopende rollen, zoals Helena in A Midsummer Night’s Dream tot een tachtigjarige vrouw in een rolstoel. Na haar afstuderen acteerde ze in diverse toneelstukken van het New York Shakespeare Festival. Daar ontmoette ze ook haar grote liefde, acteur John Cazale in 1975.

Meryl Streep – Toen en nu

In een presentatie aan de Princeton University in 2006, zei ze dat de rollen die ze koos, voelden als “extensies” van haar zelf:

And I say, ‘Well, why did God invent imagination? Should I have played women from central New Jersey all my life?’” she said. “The people I have played in movies and in the theater have all felt like me to me.”

Cazale

Streep en Cazale verloofden zich en bleven samen tot de laatste in 1978 overleed.
Ze speelde rollen in grote producties op Broadway, zoals Happy End en Alice at the Palace. De filmindustrie had ook haar belangstelling. Ze deed onder andere auditie voor de film King Kong, maar werd afgewezen. Haar eerste grote film was Julia (1977), waarin ze een kleine, maar belangrijke rol had.
Toen ze naast Cazale verscheen in de productie The Deer Hunter (1978) was Cazale al zwaar ziek (hij zou overlijden zonder de voltooide film te hebben gezien). Een eerste hoofdrol kreeg ze in de televisieserie Holocaust uit 1978.
Na het overlijden van Cazale in maart van dat jaar ging ze door een periode van diepe rouw al bleef ze acteren.

Doorbraak

Ze was in 1979 te zien in The Seduction of Joe Tynan en Manhattan, films die in 1978 waren opgenomen en waar ze op de automatische piloot speelde vanwege haar verdriet over Cazale.
In 1978 ontmoette ze ook beeldhouwer Don Gummer met wie ze in september 1978 huwde. Met Gummer kreeg ze vier kinderen. Haar rollen in Holocaust en The Deer Hunter brachten haar veel erkenning. Voor The Deer Hunter kreeg ze een Oscarnominatie, Het leverde haar een rol op in het drama Kramer vs. Kramer tegenover Dustin Hoffman.
Streep bedong dat haar personage niet werd afgeschilderd als een kwaadwillende feeks of een stereotiepe vrouw die haar man verlaat. Ze bereidde zich terdege voor op haar rol en dat betaalde zich terug in het winnen van een Academy Award voor beste vrouwelijke bijrol voor Kramer vs. Kramer. Een andere bonus was dat ze nu rijp werd geacht voor hoofdrollen in films.

Hoofdrollen

Haar eerste hoofdrol was in The French Lieutenant’s Woman uit 1981; ze kreeg er een BAFTA voor.
Voor haar rol van de getraumatiseerde Sophie in Sophie’s Choice uit 1982 trok ze alle registers open en leerde zelfs Pools. Weer kreeg ze een Oscar, dit keer in de categorie ‘Beste actrice’.

Dat zijn nu precies de films, naast de Bridges of Madison County, die ik haar beste vind!

Mery Streep – De filmposter voor The French Lieutenant’s Woman

The French Lieutenant’s Woman

The French Lieutenant’s Woman is een film uit 1981 onder regie van Karel Reisz. De film is gebaseerd op de gelijknamige roman van John Fowles. De film kreeg vijf Oscarnominaties. Het was de eerste film waarin Meryl Streep een hoofdrol speelde. De film heeft twee lagen: er wordt een film opgenomen over een 19e eeuwse romance die ‘The French Lieutenant’s Woman‘ heet. De twee acteurs die de hoofdrol krijgen in deze film, krijgen in het echt, tijdens de opnames, ook een romance. Wanneer dingen uit de hand lopen, komt de film ook in de gevarenzone.

Meryl Streep – Met tegenspeler Jeremy Irons en regisseur Karel Reisz tijdens de opnames

Sophie’s Choice

Sophie’s Choice is een Amerikaans-Britse dramafilm uit 1982 onder regie van Alan J. Pakula. Het scenario is gebaseerd op de gelijknamige roman uit 1979 van de Amerikaanse auteur William Styron.
Het verhaal: het is 1947 en Stingo, een jongeman met ambities om een schrijver te worden, huurt een kamer in een pension in de New Yorkse wijk Brooklyn. Al snel raakt hij bevriend met de Joodse Nathan en diens vriendin Sophie. Sophie is afkomstig uit Polen en een overlevende van het concentratiekamp Auschwitz-Birkenau. Sophie onthult dat haar man door de nazi’s is vermoord en dat zij is gearresteerd en met haar kinderen naar Auschwitz gestuurd. Stingo ontdekt ook dat de Joodse Nathan geobsedeerd is door de Jodenvervolging en schizofreen is. Nathan verdenkt hem er van achter Sophie aan te zitten…

Meryl Streep – Alternatieve filmposter voor Sophie’s Choice

Streep wilde de rol van Sophie zó graag spelen dat ze zich naar verluidt letterlijk aan de voeten van regisseur Alan J. Pakula wierp en hem smeekte haar de rol te laten spelen. Ze leerde Pools voor de rol van Sophie en leek geen moeite te hebben met de lange en ingewikkelde Duitse en Poolse teksten in de film. Wel was er wat kritiek op het accent dat ze Sophie in de mond legt: een mengelmoes van Duits, Pools en Engels. Pakula filmde de scène waarin Sophie moest kiezen maar één keer. Het was voor Streep een te grote emotionele belasting om het nog eens over te doen.

Meryl Streep – Letterlijk Sophie’s Choice

De film is gebaseerd op het gelijknamige boek van William Styron, dat bijna letterlijk werd verfilmd. Wat in de film minder naar voren komt is de vergelijking die Styron trekt tussen nazi-Duitsland en de slavenmaatschappij van het Amerikaanse zuiden in de 19e eeuw. Stingo, die afkomstig is uit het zuiden van de VS, is zich bewust van de vernederingen en mishandelingen die de zwarte slaven moesten ondergaan. Het lynchen van slaven stelt hij gelijk met de moord op de Joden. De vergelijking geeft aan het lijden een universeel karakter. Dit wordt versterkt door het feit dat Sophie niet Joods is, maar een Pools katholiek. Niet alleen de Joden werden vervolgd in het door de nazi’s bezette Europa, ook andere groeperingen waren het slachtoffer. Het is ironisch dat de vader van Sophie, die behoort tot de Poolse intelligentsia, praat over de “vernietiging van de Joden” om vervolgens zelf het slachtoffer te worden van de nazi’s. Na de bezetting van Polen werden veel Poolse intellectuelen vermoord. Het was de bedoeling dat de Polen, door de nazi’s gezien als Untermenschen, terug-gebracht zouden worden tot een status van slavenarbeiders die amper konden lezen en schrijven.

Succes en…

Na Sophie’s Choice speelde Streep hoofdrollen in een groot aantal succesvolle films uit de jaren tachtig, Silkwood, Falling in Love, Out of Africa, Heartburn, Ironweed en A Cry in the Dark.
Begin jaren negentig, inmiddels 41, brak een mindere periode voor haar aan. Volgens haar biograaf Karen Hollinger maakte Streep verkeerde keuzes met rollen in She-Devil (1989) en Postcards from the Edge (1990).

Het dieptepunt was volgens Hollinger Death Becomes Her, een zwarte komedie waar ze tegenover Bruce Willis en Goldie Hawn stond. Streep wilde graag in Los Angeles blijven werken en in de buurt zijn van haar gezin. Deze wens gekoppeld aan zwangerschappen en het feit dat ze de veertig was gepasseerd, betekenden het einde van haar succesvolle periode van de jaren tachtig.

Ondanks de terugval in populariteit schitterde ze tegenover Clint Eastwood in The Bridges of Madison County, een film die 70 miljoen dollar opbracht. Het markeerde de transformatie naar rollen van meer rijpere vrouwen.

The Bridges of Madison County

The Bridges of Madison County is een Amerikaanse dramafilm uit 1995 onder regie van Clint Eastwood. Het scenario is gebaseerd op de gelijknamige roman uit 1992 van de Amerikaanse auteur Robert James Waller. De film werd deels opgenomen rondom de overdekte bruggen in Madison County (Iowa) die hierdoor landelijke bekendheid kregen.

Meryl Streep – Een van de Bridges in Madison County


Het verhaal: na haar dood vinden de kinderen van Francesca Johnson haar dagboek. Daarin lezen ze dat hun moeder in de zomer van 1965 een kortstondige verhouding had met een fotograaf, die een paar dagen in het dorp was om de historische bruggen te fotograferen. Deze romance, die plaatsvond toen de rest van het gezin een paar dagen het dorp uit was, veranderde haar kijk op het leven en deed haar inzien dat ze eigenlijk niet gelukkig was over haar huwelijk. In het dagboek, dat uit drie delen bestaat, uit ze de wens dat haar kinderen wel hun eigen geluk zullen nastreven.

Meryl Streep – Met tegenspeler en regisseur Clint Eastwood

Diva

Inmiddels was Streep uitgegroeid tot een actrice van diva-achtige proporties. Ze was nu in staat om ook als oudere actrice films te dragen. Tot verrassing van velen schitterde ze als de zingende en dansende hoofdrolspeelster in de verfilming van de musical Mamma Mia!. De film was een succes en bracht wereldwijd 602,6 miljoen dollar op.
Hoewel andere rollen minder geld opbrachten, toonden ze wel aan dat Streeps aanwezigheid een film kon maken. Zoals in Doubt (2008), waar ze een non speelde die een priester beschuldigt van pedofilie.
Veel lof oogstte ze met haar vertolking van Julia Child in Julie & Julia. Julia Child was een Amerikaanse kok die in de jaren zestig en zeventig erg populair was op de Amerikaanse televisie. Child had een eigenaardig stemgeluid, dat Streep perfect vertolkte, inclusief de merkwaardige andere tics.
Ook in de komedie It’s Complicated stal Streep de show als een vrouw die maar niet kan kiezen tussen haar ex-man en een nieuwe aanbidder.
Haar diva-status bevestigde ze met haar interpretatie van voormalige premier van Engeland Margaret Thatcher in The Iron Lady uit 2011.

Meryl Streep – In verschillende rollen

In 2018 heeft Meryl haar naam als handelsmerk laten vastleggen bij het US Trademark Office (voor $275). Dat is een stap die niet ongebruikelijk is voor beroemdheden.

Afkomst

Meryl had zelf lange tijd gedacht dat ze van (deels) Nederlandse afkomst was, gezien haar achternaam. De familienaam zou in Nederland door haar van afkomst Sefardische Joodse voorouders van Messerschmitz in Streep gewijzigd zijn.
In 2010 werd haar voorgeslacht in het Amerikaanse tv-programma Faces of America door historicus Henry Louis Gates Jr. achterhaald.
Hieruit kwam naar voren dat Streep echter geen Nederlandse afkomst had, maar onder andere een Duitse. Voorouders van haar vaders kant kwamen oorspronkelijk uit Loffenau, Baden-Württemberg, Duitsland. Ook was de familienaam destijds anders, genaamd Streeb en werd deze rond 1850 na immigratie naar de Verenigde Staten in “Streep” veranderd. Dit omdat in het Duits woorden die eindigen op een ‘b’ worden uitgesproken als een ‘p’.

Meryl Streep – 19 Oscarnominaties

Films en rol

FILM en jaarROL
Julia (1977)Anne Marie
Holocaust (miniserie, 1978)Inga Helms Weiss
The Deer Hunter (1978)Linda
Manhattan (1979)Jill Davis
The Seduction of Joe Tynan (1979)Karen Traynor
Kramer vs. Kramer (1979)Joanna Kramer
The French Lieutenant’s Woman (1981)Sarah/Anna
Alice at the Palace (televisie, 1982)Alice
Still of the Night (1982)Brooke Reynolds
Sophie’s choice (1982)Sophie Zawistowska
Silkwood (1983)Karen Silkwood
Falling in Love (1984)Molley Gilmore
Plenty (1985)Susan Traherne
Out of Africa (1985)Karen Blixen
Heartburn (1986)Rachel Samstat
Ironweed (1987)Helen Archer
A Cry in the Dark (1988)Lindy Chamberlain
She-Devil (1989)Mary Fisher
Postcards from the Edge (1990)Suzanne Fale
Defending Your Life (1991)Julia
Death Becomes Her (1992)Madeline Ashton
The House of the Spirits (1993)Clara del Valle Trueba
The River Wild (1994)Gail
The Bridges of Madison County (1995)Francesca Johnson
Before and After (1996)Dr. Carolyn Ryan
Marvin’s Room (1996)Lee Lacker
…First do no harm (televisie, 1997)Lori Reimuller
Dancing at Lughnasa (1998)Kate ‘Kit’ Mundy
One True Thing (1998)Kate Gulden
Music of the Heart (1999)Roberta Guaspari
King of the hill (televisie, 1999)Aunt Esme Dauterive
A.I.: Artificial Intelligence (2001)Blue Mecha (stem)
Adaptation. (2002)Susan Orlean
The Hours (2002)Clarissa Vaughan
Angels in America (2003) 
Stuck on You (2003)als zichzelf
The Manchurian Candidate (2004)Eleanor Shaw
Lemony Snicket’s A Series of Unfortunate Events (2004)Aunt Josephine
Prime (2005)Lisa Metzger
A Prairie Home Companion (2006)Yolanda Johnson
The Devil Wears Prada (2006)Miranda Priestly
The Ant Bully (2006)Queen (stem)
Dark Matter (2007)Joanna Silver
Evening (2007)Lila Ross
Rendition (2007)Corrine Whitman
Lions for Lambs (2007)Janine Roth
Mamma Mia! (2008)Donna
Doubt (2008)Sister Aloysius Beauvier
Julie & Julia (2009)Julia Child
It’s Complicated (2009)Jane Adler
Fantastic Mr. Fox (2009)Mrs. Fox (stem)
Higglety Pigglety Pop! or There Must Be More to Life (2010)Jennie (stem)
The Iron Lady (2011)Margaret Thatcher
Hope Springs (2012)Kay
August: Osage County (2013)Violet Weston
The Giver (2014)Chief Elder
Into the Woods (2014)heks
Ricki and the Flash (2015) 
Suffragette (2015)Emmeline Pankhurst
Florence Foster Jenkins (2016)Florence Foster Jenkins
The Post (2017)Katharine Graham
Mamma Mia! Here We Go Again (2018)Donna
Mary Poppins Returns (2018)Topsy
Little Women (2019)Aunt March
The Prom (2020)Dee Dee Allen